Waarom lazen mensen vroeger?
De eerste boeken waren Bijbels en kerkelijke teksten in het Latijn. Alleen monniken en mensen van adel konden die lezen. Vanaf 1477 werden er boeken in het Nederlands gedrukt. Die konden de meeste mensen trouwens ook niet lezen: dat hadden ze nooit geleerd.
Leescultuur
Door de boekdrukkunst werden teksten voor veel meer mensen toegankelijk. Net zoals internet dat eigenlijk vandaag de dag doet. In de zestiende en zeventiende eeuw waren er in Europa al duizenden drukkers actief. Er ontstond steeds meer een leescultuur; door het onderwijs, maar ook doordat het protestantisme mensen ertoe aanzette om zelf thuis de Bijbel te lezen.
Kennis verwerven
De achttiende eeuw was de eeuw van de verlichting. De mens moest kennis hebben om bewust in het leven te staan. Lezen was daartoe de sleutel. In deze eeuw verschenen de eerste echte encyclopedieën. Het was ook de tijd waarin welwillende burgers zich ontfermden over ‘de gewone man’. Zij zorgden ervoor dat die stichtelijke en opbouwende lectuur te lezen kreeg.
Tijd om te lezen?
In de negentiende eeuw kwamen er meer soorten lectuur: tijdschriften en boekenreeksen voor vrouwen en kinderen, boeken over hobby’s, boeken met praktische raadgevingen, literaire en keukenmeidenromans. Het liefste kocht men trouwens boeken of tijdschriften over spectaculaire nieuwsfeiten als grote branden en overstromingen.(1)
Door uitvindingen zoals het gaslicht, de gloeilamp en de trein kreeg men meer tijd om te lezen. Mensen sloten zich aan bij leesgezelschappen, ook voor de gezelligheid. Er werden bibliotheken opgezet om het volk op te voeden. Zij kregen namen als Nutsbibliotheek (Nederland) of Volksboekerij (Vlaanderen).
Toch hield lang niet iedereen zich bezig met lezen. Heel veel mannen, vrouwen en kinderen maakten op de fabriek lange dagen van twaalf tot zestien uur. Dan kwam er van lezen niet veel meer.