Ervaringen in de klas

Eufemisme

In 3 gymnasium (1994) kregen wij een docent Nederlands die voorheen alleen had lesgegeven op de mavo. Natuurlijk was de stof van 3 vwo voor hem geen probleem maar de eigenwijze pubers in onze klas, waar ik er één van was, af en toe wel.

De docent behandelde de leerstof door steeds een paragraaf uit ons boek voor te lezen en ons daarna aan de opdrachten te zetten. In een les over stijlfiguren las hij de paragraaf over eufemismen voor, die begon met: \"Het eufemisme (spreek uit: uifemisme)\".

Gezien het uitspraakvoorschrift was het bijzonder jammer dat onze leraar \'eufemisme\' in deze titel uitsprak met een \'eu\' in plaats van een \'ui\'. En dan ook nog eens met een langgerekte nasale Twentse \'eu\'.

Deze les is me bijgebleven omdat ik door dit voorval deze leraar de rest van het schooljaar niet meer serieus heb genomen. Achteraf gezien misschien niet helemaal terecht maar als puber sta je daar niet bij stil.
Suzan Verberne

Schuun Vloms

Ik groeide op tussen vele Vlaamse talen. Mijn moedertaal was West-Vlaams. Mijn vadertaal ook, maar een ander West-Vlaams. Mijn moeder zei: "poot'ns" tegen poten en mijn vader zei "Poowut'ns". Thuis speelden we op de 'biezebeize, maar met de nichtjes van vaders kant gingen we op de 'juutekako' zitten. Op school was dat een schommel, maar mijn Merelbeekse vriendjes noemden het ding steevast een "sjchoamuil". Dat ging probleemloos, tot ik in Gent op school moest en onze toenmalige leerkracht Nederlands een kruistocht begon tegen het "vuil Gents" van mijn klasgenoten. Ze deed ons een schrift volpennen met Gentse woorden en uitdrukkingen, met de correcte Nederlandse vertaling ernaast.
Ik heb me voor het examen Nederlands suf "geblokt" op al die Gentse woorden. Wat is een lamp nu weer in 't Gents? Ah ja, een "abat-jourken"! En wat zegt een Gentenaar tegen zijn lief? "Koeketiene"... Wat ik echter niet geleerd heb, dat waren een paar grove scheldwoorden. Die hadden anders wel van pas gekomen. Kl...!
Carine Govaert

Vloeibaar

Mijn Franse lerares Frans vertelde dat iemand haar eens vroeg of ze al Nederlands sprak, waarop ze antwoordde (ze was er beretrots op dat ze zo vlot en goed Nederlands had geleerd): \"Ja, hoor, ik spreek vloeibaar Nederlands!\"
Tynke Verbunt-Vrouwe

Stront

De motivatie voor het vak Nederlands was laag op de Middelbare Landbouwschool. Spreekbeurten verliepen met zichtbare tegenzin. De onderwerpen liepen uiteen van zelfkazen tot knolcyperusbestrijding. Iemand met een afwijkend onderwerp, zoals biljarten, kon na afloop vragen verwachten als: "Kost dat? Zo'n stok?" Na het horen van het geschatte bedrag klonk er een opmerking als: "bij onze Boerenbondswinkel krijg je ze voor de helft. En ook nog met een kruk erop." Voor de rest van de klas was het altijd lachen, die weinig inspirerende spreekbeurten. Het slachtoffer zelf was meestal uitermate tevreden met een mager zesje. Slechts één keer scoorde iemand een 10. De beurt was aan Pieter, de meest assertieve uit de klas. Vooraan in de klas stond de volledige geluidsinstallatie van de discotheek van zijn broer. Daarin plugde hij zijn gitaar. Het was op een zomerse dag. De ramen van het klaslokaal stonden wijd open. Tot in de verre omtrek kon iedereen genieten van zijn spreekbeurt.

Onderwerp: het mestoverschot. Melodie: Manish Boy van Muddy Waters.
"Deze spreekbeurt,
gaat over stront.
Er is teveel stront in ons land,
veel te veel stront.

Stront van varkens
en stront van koeien.
Stront van kippen,
dus stront aan de knikker.

Teveel stront.
Véél stront!"

Een vol kwartier hield hij het vol. De breed grijnzende meester beoordeelde de presentatie met een tien. Voor de inhoud kreeg hij een twee. En Pieter was uitermate tevreden met een mager zesje.
Marc van der Sterren

Komma's

Terug naar de tijd ten ik nog geen komma\'s neukte. Eerste leerjaar van een klein dorpsschooltje p een boogscheut van de Belgische hoofdstad. De klas van juffrouw Chris. Hoewel mijn ouders voorstanders waren van een standaardtaal, zaten er hier en daar nog sporen van dialect in mijn spraak. Een les over groenten en fruit. De vraag wat onze lievelingsbereiding was met een van beide. \"Fraisenconfituur.\" \"Nee, Wannes, je moet aardbeijam zeggen!\" Ik vond hem gelijk een pak minder lekker...
Wannes van den Eede

Koeiencondoom

1981, Havo-4. Nederlands kregen we van een jonge docent, wiens populariteit afhing van zijn wilde haardos en vlotte kledingstijl én met de manier waarop hij lesgaf. Het vak was nog keurig ingedeeld: lessen stijl en spelling voor de examenopdracht opstel schrijven, en literatuurlessen. \"Boes\" hielp ons met zelfgetypte lijsten bij het samenstellen van onze boekenlijst - wij dienden daarvoor 26 boeken te lezen, drie uit de Middeleeuwen, drie uit de zeventiende eeuw, vijf uit de achttiende + negentiende eeuw, en vijftien, wat dan heette \"moderne\" boeken - een lachtertje volgens mijn oudere neven en nichten die het in het pre-mammoet-tijdperk wel even zwaarder hadden gehad... Op een lome, zomerse vrijdagmiddag, een les waar geen einde aan leek te komen, over de gedichten van Gerrit Achterberg: \"Met leven toegerust voor beiden, liep ik vannacht de gangen in, die naar u leiden\", probeerde de leraar de aandacht van achtentwintig zestienjarigen vast te houden: Wie is de \"u\" in het gedicht? Ergens voelden we wel aan dat dit gedicht iets plechtigs, haast heiligs was...

Kees, een spreekwoordelijk blonde, blozende boerenzoon, vond afleiding in een boterham die hij uit een broodzak haalde waar wel een heel brood in paste. Dat vond de docent kennelijk niet getuigen van veel eerbied, en geheel tegen zijn gewoonte in schoot hij uit slof en riep door de lome stilte: \"Kees, doe dat koeiecondoom eens weg\". Die bevrijdende lach, de verbazing van de leraar om wat hij gezegd had: onvergetelijk
M. Pierhagen

Waarin een grote man groot kan zijn

Als docent Nt2 probeer ik mijn cursisten altijd te laten voelen dat taal leuk is. Zo begin ik in mijn beginnersgroepen al na een aantal weken les met het voorlezen van kleine gedichten. Het huiswerk is dan steevast: maak zelf ook een klein gedichtje en lees het voor aan de groep. ik vind het altijd weer verrassend leuk hoe positief er op deze aanpak wordt gereageerd: veel mensen/culturen zijn dol op gedichten terwijl je niveau Nederlands echt niet altijd hoog hoeft te zijn.

De hele grote donkere Nigeriaan was aan de beurt, met in zijn kolenschophanden een klein frotje papier. Hij las:
Mijn zoontje van 3 lacht altijd naar mij: als we eten, als we spelen, als we wandelen, altijd, altijd naar mij, maar niet als hij tv kijkt. Dan lacht hij naar de teletubbies...

Zo'n grote stoere man, jaloers op de teletubbies en trots genoeg om het ons met een brede glimlach op zijn gezicht mee te delen. Klasse!!!
Ine Kievits, docent NT2 James Boswell Instituut (UU)

Jaknikker

Het zal in 1956 geweest zijn in de 4e klas van de lagere school. Wij kregen een Surinaamse jongen in de klas;heel bijzonder voor die tijd. In een aardrijkskundeles, waarbij ieder van ons de opdracht kreeg een stukje tekst te lezen, trof deze jongen het dat er in zijn passage over het ontginnen van gas in Groningen het woord \'jaknikker\' gebruikt werd. En ja, hij las dit voor als \'jak-nikker\'. Het leek mij logisch gezien zijn afkomst en huiskleur maar ik had wel met hem te doen dat hij zich zo vergiste. Of de klas erom gelachen heeft kan ik me absoluut niet herinneren.
Het is mij altijd bijgebleven en vind het wel aardig u dit te melden. Het is uiteindelijk nog goed met hem gegaan, hij is nu tandarts.
mw A.Tros

Stierlijk vreemd

Mijn lerares is een paasei. Haar hoofd heeft nog vorm, maar vanaf haar schouders wordt ze kogelrond en ten slotte slinkt ze weer in tot wankele pootjes. Om te benadrukken dat ze een paasei is, heeft ze een brede band met bloemen om haar middel gebonden die op haar rug overgaat in een grote strik. Haar knerpende stem vertelt over misplaatste d's en vergeten t's. Ongemerkt dwalen mijn gedachten over haar eiige vorm af naar het geklets in de klas. Ik zit in het midden, bijna achterin en kijk een beetje rond naar wie wat zit te doen. Het paasei praat ondertussen steeds krasser, tot ze opeens begint te snuiven.

"En je houdt nú je mond!" Het paasei verandert in een dolle stier: ze priemt haar zwarte pupillen in die van mij en buldert op me af. Nog voordat ik goed en wel besef dat ik het doel ben van deze aanval, klemmen haar vingers zich in mijn bovenarm en trekt ze me van mijn stoel. Een leeg tafeltje vooraan is mijn nieuwe, onverwachte bestemming. Nóg onbeheerster duwt ze het bankje onder het schoolbord, mijn stoel en ik volgen er strak tegenaan. Ineens zit ik in de krijtlucht. Malend over de logica van deze verandering staar ik naar de geurende bordenwisser, achter me gaat de les weer verder. Nog nooit heeft een ei mij zo overdonderd.
Juditte Aangeenbrug