Kommaneuken
Multatuli, De geschiedenis van Woutertje Pieterse, 1862-1877
Woutertje Pieterse raakt voortdurend verwikkeld in fantasieën. Zijn moeder, juffrouw Pieterse, vreest dat er niks van hem terechtkomt. Wouters meester Pennewip was een 'man van den ouden stempel. Zoo althans zoud-i ons nu voorkomen, als we hem voor ons zagen in z'n gryzen schooljas, dyvest, korten broek met gespen, en dat alles gekroond met 'n bruin pruikje, dat-i gedurig heen-en-weer trok, en dat in 't begin der week altyd zoo krulde als er geen regen aan de lucht was.'
Pennewip [...] ging voort: - Ziet uwe daar die komma wel, of... juister gezegd die... apostrofe? - Jawel, jawel, meester, riep juffrouw Pieterse, o zeker, zeker, ik zie 'm heel goed. Kyk jy ook eens, Trui! - En dáár staat er nog een, ging Pennewip voort. Laat de andere juffrouw ook eens zien. 't Boek ging rond. Juffrouw Pieterse was bly dat de inspanning tot begrip, die weldra van haar zou geëischt worden, 'n beetje verdeeld werd over 't heele gezelschap. Om de verantwoordelykheid nog wat verder afteleiden, betrok ze ook Wouter in de zaak. - Laat het kind toch ook 'ns zien! Hy is er net in de jaren voor. Kyk nu goed, Wouter! Een jongen als jy moet altyd probeeren wat te leeren. Zieje 'm nu wel, die... die... hoe heet het ook, meester? - Wat de gedaante aangaat, juffrouw, zoude men het eene komma kunnen noemen, doch ten-gevolge der eenigszins verheven plaats waarop de zeer kundige schryver dat teeken zettede, ontvangt hetzelve de kracht... W outer tuurde in 't boek, en was verdrietig over z'n domheid. 't Mocht hem niet gelukken iets schoons te zien.