De literaire ambtenaar

Ambtenarentaal is natuurlijk niet altijd onpersoonlijk en ingewikkeld, al vinden veel mensen van ons onderzoek dat. Er zijn ook ambtenaren die prachtig schrijven. Er zijn zelfs heel wat literaire schrijvers en dichters onder ambtenaren. We laten er een paar aan het woord.

Anton Korteweg (1944)

Korteweg is directeur van het Letterkundig Museum in Den Haag. Dat heeft niet zo’n heel ambtelijk imago, maar toch… Korteweg wijdt er menig gedicht aan.

Anton Korteweg

In goede orde
Als ik mijzelf zo doende zie: mijn handen schrijven
in antwoord op uw schrijven van dat ik
in goede orde heb ontvangen, waarvoor
dank,
met vriendelijke groet en hoge achting,

mijzelf zo bezig hoor: mijn mond hoor spreken
zoals de voorzitter zojuist heeft opgemerkt,
als U mij toestaat zie ik het toch anders,
ik sluit mij bij de spreker gaarne aan,

mijn oor beluistert dat mijn oor beluistert,
dat men het in zijn samenhang moet zien
subsidie wel of niet wordt toegekend,
dat het om een principekwestie gaat,

dan rest mij maar één ding: te denken
hoe goed het is dat ik niet in mijn schoenen sta.


Uit: Met flinke pas, Gedichten 1971- 2001, Meulenhoff 2003

A.L. Snijders (1937)

Hij werkte als docent Nederlands op een politieschool. Hij schreef:

A.L. Snijders

Ik word de hele dag geconfronteerd met verdachten, welke zich in de richting van het rijwiel begeven om aldaar een handeling te verrichten. Ik wil: een verdachte die naar een fiets loopt om daar iets te doen. In die wil zit mijn salaris.


Uit: Heimelijke vreugde, Thomas Rap, 2008