A. Alberts 1911-1995
Alberts werkte bij het binnenlands bestuur van Nederlands-Indië. Hij had ooit een chef die zei: ‘De ambtelijke taal is ontstaan uit de behoefte van de overheid zich duidelijk en voor iedereen begrijpelijk uit te drukken’. Alberts illustreert dit adagium.
‘… de overheid vindt het noodzakelijk, dat binnen bepaalde openbare voertuigen een rookverbod wordt ingesteld. In de laatste jaren geldt daarvoor gelukkig weer de eenvoudige formule: verboden te roken. Heel in het begin, meer dan een halve eeuw geleden, achtte de overheid een dergelijk verbod van belang voor de luchtzuiverheid in de trams van de verschillende grote steden. Diensvolgens werd binnen op een voor iedereen zichtbare plaats eenemaille plaatje geschroefd, voorzien van de daartoe strekkende vermelding: verboden te roken. Wat is er toen gebeurd? Elk rokende passagier vond zichzelf maar een lamlendig stuk ongeluk, als hij niet in de tram zou gaan zitten roken, pijp, sigaar of sigaret. Maar het op een bekeuring te laten aankomen, dat was er natuurlijk helemaal niet bij. Daarom, als de conducteur hem bestraffend op het verbodsbordje wees, zei de man: ik rook niet. Om dit verweer te ontkrachten, werd in de tram een ander bordje opgeschroefd: verboden te roken of dit voertuig te betreden met een brandende pijp, sigaar of sigaret.
Uit: A. Alberts, Inleiding tot de kennis van de ambtenaar, Van Oorschot 1986
Marnix Gijsen 1899-1984
Gijsen was kabinetschef van de burgemeester van Antwerpen. Daarna werkte hij voor het Rijk als Commissaris- Generaal voor Toerisme en vervolgens als Belgisch Commissaris voor Informatie en gevolmachtigd minister in New York. Als ‘De Stem uit Amerika’ gaf hij van daaruit radiopraatjes op zaterdag. Hier een stukje waar ambtenaren in voorkomen.
Hoe het drietal brave ambtenaren van het archief de vijandschap van barones van Bever hadden kunnen opwekken, was mij een raadsel. De ene kweekte goudvissen, de tweede verzamelde postzegels van Liberia en de derde schreef toneelstukken voor kinderen. Alle drie, patente, ordelijke, onschadelijke burgers die regelmatig de mis hoorden en altijd rechts stemden, tenzij de tegenpartij een verhoging van salaris op haar programma in het vooruitzicht stelde.
Uit: De vleespotten van Egypte, Stols 1952