Een taal die goed ruikt

‘Het Nederlands is geen taal die op heel veel plaatsen in de wereld gesproken wordt. Toch zijn mensen altijd weer verbaasd als je hun vertelt dat het Nederlands ergens tussen plaats 40 en 50 staat in de lijst van talen die in de wereld het meest gesproken worden. Zo hoog? En als je dan ook nog zegt dat aan enkele honderden universiteiten en talencentra in het buitenland Nederlands gestudeerd kan worden, zijn ze nog verbaasder. Ook in Rusland?

Ja, het Nederlands is niet niks. En het is sinds zijn bestaan ook nooit zonder betekenis geweest. Sinds we zoiets als Nederlands onderscheiden (vanaf ongeveer het jaar 800) is men ook in toenemende mate Nederlanders gaan onderscheiden. Taal maakt een wezenlijk onderdeel uit van ieders identiteit. Daarvoor hoeft die taal niet eens gestandaardiseerd te zijn via bijvoorbeeld grammaticaregels en spellingregels. Die laatste regels kreeg het Nederlands ook pas zo’n duizend jaar nadat het zich als een zelfstandige taal had losgemaakt uit het West-Germaans.

Ook zonder formele regels was het Nederlands al een factor van betekenis in het Europa van weleer. En onbekommerd of met bravoure ging het mee op reis naar andere landen, waar het sporen, soms diepe sporen naliet: Zuid-Afrika, Suriname, de Antillen, Indonesië, de VS, enz.

Nederlands is geen wereldtaal geworden, maar wel een taal van de wereld en tegelijkertijd een taal die tot op de dag van vandaag nog veel lokale variëteiten in eigen land kent, die nog de aangename geur hebben van de middeleeuwse vrijstaat waarin het Nederlands zich lange tijd bevond, ondanks de al vroege opdringerigheid van andere talen, zoals aanvankelijk het Latijn en het Frans.

Het Nederlands gaat, zou je kunnen zeggen, als vanouds zijn gang. Andere talen blijven zich opdringen, maar het Nederlands wankelt er vooralsnog allerminst door. Het is een beetje overdreven om te zeggen: lang leve het Nederlands, maar er is niks overdrevens aan om te zeggen: het Nederlands leeft nog lang.’

Wim Daniëls