'We spraken Hakka achterstevoren'
Meertalig opgroeien in Suriname
Op school leren en spreken ze Nederlands. Daarbuiten spreken Surinamers gemiddeld nog eens meer dan twee thuistalen. Neem Helen Chang, die voor de Nederlandse Taalunie in Paramaribo werkt. Ze is van Chinese afkomst en leerde er zes. Plus twee geheimtalen.
Als oudste, en tot mijn vierde ook enige kind in een gezin waarvan de ouders afkomstig waren uit China, heb ik als moedertaal het Hakka. Op school leerde ik Nederlands. Thuis spraken wij uitsluitend Hakka, eerst met zijn allen tegen allen, maar onder invloed van de school begonnen de vijf kinderen onderling steeds meer Nederlands te spreken en het Hakka werd alleen nog gebruikt om te communiceren met onze ouders en familie.
Voor de communicatie met de klanten in hun winkel spraken mijn ouders Sranan. Als we in de winkel moesten helpen, spraken we óf Nederlands óf Sranan met de klanten. Op school kregen we vanaf de zesde klas Engels, op de mulo-school kwamen Frans en Duits erbij. Het Engels was van belang voor de muziek op de radio en omdat de Nederlandse ondertiteling ontbrak (en nog steeds ontbreekt) bij Engelse televisieprogramma's. Alsof dit niet genoeg taal was, spraken we p-taal: ipin depe hopoop dapat depe kleipeintjepes opons niepiet kopondepen veperstapaan. In de derde klas mulo gingen mijn schoolvriendinnen en ik naar stenoles. En zo werd steno de geheimtaal voor mijn dagboeken.
Al die andere talen werkten in op ons gebruik van het Hakka. Kenden we een woord niet, geen probleem, dan de Srananversie of het Nederlands. Zo is bekend dat de Hakkawoorden tomati en tasi typisch Surinaams-Hakkawoorden zijn (tomati is Sranan en in tasi zit het Nederlandse woord tas). Ook de zinsvolgorde van het Nederlands pasten we toe in het Hakka. In plaats van: Jij doet wat? volgens Hakka-syntaxis, zeiden we: Wat doe je? Mijn moeder verzuchtte vaak dat we Hakka achterstevoren spraken.
Dat het Nederlands voor mij een vreemde taal was, kwam pijnlijk tot uitdrukking in de tweede klas mulo. De televisie had haar intrede gedaan in Suriname. We kochten er een: een Sylvana, een geweldig groot toestel met een klein beeldscherm. Elke avond om halfacht was er nieuwsjournaal, in het Nederlands. Mijn vader zat dan in zijn schommelstoel, luisterde aandachtig en verstond niets. Geen nood, hiervoor had hij zijn grote dochter, dacht hij. Elke avond wilde hij van mij weten wat de nieuwslezer(es) te vertellen had. Maar ook ik begreep, tot mijn eigen ontsteltenis, niets van wat er werd gezegd, laat staan dat ik het ook nog moest gaan vertalen in het Hakka. Mijn vader schudde zijn hoofd elke avond en vond dat hij me voor niemendal naar school stuurde. Misschien heeft zijn ontgoocheling er een rol in gespeeld dat ik later Nederlands ben gaan studeren.
Migaisa Magotoe (11 jaar)
In de klas horen we Nederlands, Sranan en Aukaans. Als mijn klasgenoten grappen vertellen aan elkaar of gewoon gek willen doen, gebruiken zij het meest Sranan. En wij, Aukaanse kinderen, vertellen elkaar geheimpjes in het Aukaans.
Ninaëssa Engeso (19 jaar)
In de klas hoor ik vier talen. De juf spreekt Nederlands, en ook de leerlingen als ze met de juf praten. Voor torie (gezel- lige babbeltjes) gebruiken mijn klasgenoten drie talen: Aukaans (Aukaanse klasgenoten), Caraïbs (inheemse klasgenoten) en Sranan (inheemsen, Aukaners en andere bevolkingsgroepen).
Laura Karimbaks (leerkracht Openbare School Tourtonne III)
Ik vind dat meertaligheid meer voordelen dan nadelen heeft. Een kind kan best meerdere talen goed beheersen. Kinderen die meertalig zijn, kunnen zich bij meerdere mensen, vrienden, uiten. Ze doen daardoor meer ervaringen op en hebben een ruimer vocabulaire. Dergelijke kinderen kunnen zich naar mijn mening makkelijker uiten.
Sharon Cederboom (17 jaar)
Meertaligheid heeft zijn voordelen. Ik ben heel goed in Engels, ik vind het gewoon prettig om alles te verstaan wat in het Engels gesproken of geschreven wordt. Je kan meer mensen verstaan. Je hebt een breder wereldbeeld, omdat je door de andere talen meer weet over de culturen en gewoonten die daarbij horen.
