taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » over taalunie »

Advies inzake een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid

Den Haag, juli 2001

Direct naar de samenvatting van de aanbevelingen voor een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid.

Naar een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid (volledige tekst)

  1. Voorgeschiedenis
  2. Adviezen voor een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid
    1. Nieuw te ontwikkelen beleid
    2. Beleidsvoorbereidend onderzoek en evaluatieonderzoek
    3. Gezamenlijke leesbevorderingsprojecten
    4. Documentatie en informatie
  3. De Rol van de Taalunie


Naar een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid


1. Voorgeschiedenis

In het najaar van 2000 nam het Comité van Ministers van de Taalunie het besluit om een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid te voeren op de volgende terreinen (Naar een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid. Nederlandse Taalunie, november 2000/53ste vergadering Comité van Ministers, najaar 2000)

De wens tot een gezamenlijk beleid werd ingegeven door de constatering dat het Nederlands en Vlaamse leesbevorderingsbeleid qua visie, structuur en werkwijze steeds meer parallellen vertoont. In Nederland en Vlaanderen zijn min of meer gelijkluidende prioriteiten waar te nemen, nl. de bevordering van het lezen bij allochtonen en jongeren en de bevordering van de competentie om met nieuwe media om te gaan. Daarnaast werd vanuit verschillende gremia van de Taalunie aangedrongen op een gezamenlijk beleid. In 1999 waren afgevaardigden van de belangrijkste letterenorganisaties in Nederland en Vlaanderen bijeen tijdens de Conferentie van de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland. Deze 'werkgroep letteren' drong er op aan dat het budget voor leesbevordering in Vlaanderen zou worden verhoogd zodat er meer mogelijkheden zouden komen voor evenwichtige samenwerkingsprojecten. Verder werd gepleit voor geoormerkte budgetten voor een structurele Nederlands-Vlaamse samenwerking op het gebied van leesbevordering. De Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren heeft dat advies, voorzien van een steunbetuiging, bij het Comité van Ministers van de Taalunie onder de aandacht gebracht. Inmiddels heeft bovendien de Vlaamse overheid besloten tot de oprichting van een Stichting Lezen.

Het Comité van Ministers vroeg bij zijn besluit aan de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren om het veld te raadplegen over de voornemens tot een gezamenlijk leesbevorderingsbeleid en de invulling ervan en hierover voor de zomer van 2001 te adviseren.

Advies van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren
De Raad kan zich vinden in de uitgangspunten voor het gezamenlijke leesbevorderingsbeleid zoals die zijn geformuleerd in de nota Naar een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid.

De Raad gaat ervan uit dat de omgang met het geschreven woord een belangrijke voorwaarde is voor de ontwikkeling van kennis, creatief denkvermogen en deelname aan de cultuur. Bovendien kan regelmatig lezen bij specifieke groepen ook bijdragen aan taal- en leesvaardigheid en daarmee indirect aan schoolsucces en maatschappelijke kansen. Een bloeiende leescultuur ziet de Raad dan ook als een zaak van algemeen belang die de continue zorg van de overheid verdient.
In Nederland en Vlaanderen worden al langere tijd inspanningen verricht om de teruggang van het lezen te bestrijden door systematisch en continu het leesgedrag te beïnvloeden. De activiteiten zijn er vooral gericht op mensen te laten ervaren dat lezen een plezierige tijdsbesteding is.
Aangezien de problematiek en doelstellingen in Nederland en Vlaanderen grotendeels overeenkomen lijkt het de Raad aangewezen om nieuw beleid en nieuwe instrumenten voor leesbevordering zoveel mogelijk in gezamenlijkheid te ontwikkelen. 'Lezen' is in de ogen van de Raad niet beperkt tot het lezen van gedrukte media. Onder leesbevordering vallen ook die inspanningen die erop zijn gericht de competentie in de omgang met elektronische media te vergroten.

Op 16 maart 2001 heeft de Raad tijdens een conferentie het veld geraadpleegd over de principes en uitwerking van het gezamenlijke beleid. De conferentie werd bezocht door ca. 70 vertegenwoordigers van leesbevorderingsinstellingen, organisaties uit het boekenvak en de bibliotheekwereld, overheden, onderwijs en onderzoeksinstellingen. Tijdens de conferentie bleek dat er in het veld brede steun is voor een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid. De aanbevelingen van de conferentie over de invulling van het beleid zijn verwerkt in het advies van de Raad.

Het Comité van Ministers heeft de Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie de opdracht gegeven om in samenwerking met Stichting Lezen en de bevoegde Vlaamse instantie(s) een meerjarenplan leesbevordering te ontwikkelen in het kader van de meerjarenplanning van de Taalunie voor 2003-2007. De Raad adviseert dat met de hiernavolgende aanbevelingen rekening wordt gehouden bij de ontwikkeling en uitwerking van het meerjarenplan. De Raad adviseert het Comité om de nodige middelen ter beschikking te stellen om het beleid in uitvoering te nemen met ingang van 2003.



2. Adviezen voor een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid

De Raad is van mening dat gezamenlijk beleid geen opzichzelfstaand doel is, maar gericht moet zijn op het behalen van een meerwaarde. Bij de formulering van adviezen voor de invulling van het gezamenlijk beleid heeft de Raad daarom steeds getoetst of er sprake is van:
- praktische schaalvoordelen, zoals budgettair, inzet van capaciteit;
- inhoudelijke meerwaarde, zoals het combineren van ervaringen en ideeën vanuit verschillende invalshoeken;
- taalpolitieke meerwaarde, waarbij een gezamenlijk leesbevorderingsbeleid het voertuig is voor integratie en verschillen niet als belemmering worden ervaren maar als inspiratie en verrijking. Een gezamenlijk leesbevorderingsbeleid dient daarbij ook een meer ideologisch doel: het bevordert de Nederlands-Vlaamse dialoog en versterkt het besef bij lezers dat Nederland en Vlaanderen één taalgebied vormen.

Leesbevorderingsorganisaties in Nederland en Vlaanderen staan voor een aantal gemeenschappelijke vragen en problemen. De Raad is van mening dat juist op deze terreinen goede resultaten van een gezamenlijke aanpak zijn te verwachten:

  1. Nieuw te ontwikkelen beleid
    Aan beide zijden van de grens staat men voor de opdracht om beleid te ontwikkelen voor
    -kinderen in de voor- en vroegschoolse periode;
    -jongeren, met name uit taalarme groepen;
    -verbetering van de randvoorwaarden voor leesbevordering binnen het lees- en literatuuronderwijs.
  2. Beleidsvoorbereidend onderzoek en evaluatieonderzoek
    In het veld bestaat veel behoefte aan beleidsvoorbereidend onderzoek en evaluatieonderzoek. Instanties die leesbevorderingsactiviteiten subsidiëren verwachten dat activiteiten wetenschappelijk onderbouwd zijn en dat effecten worden gemeten.
  3. Informatie, documentatie en deskundigheidsbevordering
    Bij leesbevorderaars bestaat veel behoefte aan informatie over projecten, deskundigen, infrastructuur en organisaties in het andere deel van het taalgebied. Informatie over elkaars activiteiten is bovendien een randvoorwaarde voor het totstandkomen van samenwerking.
  4. Gezamenlijke leesbevorderingsprojecten onder bepaalde voorwaarden
    Gezamenlijke grootschalige projecten en sensibiliseringscampagnes kunnen bijdragen aan het besef dat Nederland en Vlaanderen een taalgebied vormen. Bovendien kan door de grootschaliger aanpak de uitstraling en het effect van deze initiatieven worden vergroot.

De terreinen van gezamenlijk beleid worden in de volgende paragrafen verder uitgewerkt.



2.1 Nieuw te ontwikkelen beleid

Nederland en Vlaanderen hebben een lange traditie in leesbevordering. Vooral voor de doelgroep kinderen in de basisschoolleeftijd is veel bereikt. Het gezamenlijke leesbevorderingsbeleid moet zich in eerste instantie richten op relatief nieuwe beleidsterreinen en doelgroepen zodat het beleid zo veel mogelijk gezamenlijk kan worden ontwikkeld. Bij het ontwikkelen van nieuw beleid hebben de volgende doelgroepen zowel in Nederland als Vlaanderen prioriteit.

Kinderen in de voor- en vroegschoolse periode (0-6 jaar)
Een belangrijke doelgroep voor leesbevordering zijn kinderen in de voor- en vroegschoolse leeftijd en hun ouders. Al op heel jonge leeftijd wordt de basis voor het latere leesgedrag gelegd. Kinderen die in de baby- en peuterleeftijd in aanraking komen met boekjes, voorlezen, en andere 'literaire' activiteiten zoals liedjes en rijmpjes hebben meer kans om lezers te worden. Tegelijkertijd lijken deze activiteiten een gunstige invloed te hebben op de taalontwikkeling en het leren lezen en schrijven omdat deze kinderen spelenderwijs in aanraking komen met vormaspecten van taal en met geschreven taal. Leesbevorderingsactiviteiten voor deze leeftijdsgroep kunnen daarom ook worden gezien als taalstimulering. Leesbevordering bij deze leeftijdsgroep is dan ook speciaal van belang voor kinderen uit gezinnen waar traditioneel niet veel taalstimulering en leescultuur is, kinderen met leesproblemen en voor kinderen die opgroeien in een niet Nederlandstalige omgeving.

In Nederland en Vlaanderen zijn veel instrumenten ontwikkeld voor kinderen in de voor- en vroegschoolse leeftijd, hun ouders en mensen die met kinderen in deze leeftijdsgroep werken. Zo zijn er in Vlaanderen de Voorleesactie en de projecten Boekenhoeve en Boekje te Buiten. In Nederland is er het project Boekenpret, de actie 50+ leest voor, een 'peutermaand' in openbare bibliotheken en het door Stichting Lezen opgerichte Platform Voorlezen in de Kinderopvang. In beide delen van het taalgebied worden tijdens de Kinderboekenweek kinderboeken onder de aandacht gebracht van het grote publiek.
Daarnaast zijn er veel hulpmiddelen om ouders, medewerkers in de kinderopvang en peuter- en kleuterleid(st)ers een keuze te leren maken uit het aanbod aan kinderboeken. Ook zijn er meertalige prentenboeken voor tweetalige kinderen.

Een belangrijke opdracht voor leesbevorderaars is de implementatie van deze instrumenten en de verspreiding van kennis over (voor)lezen bij instellingen als kinderopvangcentra, peuterspeelzalen, en in de laagste klassen van het basisonderwijs. Medewerkers van deze instellingen zijn immers belangrijke tussenpersonen.
Een belangrijk verschil tussen Nederland en Vlaanderen is daarbij dat Vlaamse kinderen vanaf de leeftijd van 2,5 jaar deelnemen aan het kleuteronderwijs waar hoger opgeleide kleuterleidsters werken. Ook zijn er verschillen in de didactische visie als het gaat om het 'onderwijs' aan heel jonge kinderen. Dit vormt een extra aanleiding om de expertise te bundelen. Tot slot zou gezamenlijk een doelgroepenstrategie ontwikkeld moeten worden voor allochtone ouders. Juist voor kinderen met een anderstalige achtergrond is (voor)lezen van groot belang voor de taalontwikkeling.

Jongeren
Uit onderzoek blijkt dat jongeren een risicogroep vormen als het gaat om leesuitval. Dit heeft verschillende oorzaken: ondanks de beschikbaarheid van steeds meer boeken die speciaal voor deze leeftijdsgroep zijn geschreven, lijkt de overgang van jeugdliteratuur naar volwassenenliteratuur problematisch. Er is veel concurrentie van andere vrijetijdsbestedingen. Lezen heeft bij veel jongeren geen positief imago en het is (daardoor) geen onderwerp van gesprek. Volgens sommigen werkt de aanpak van literatuuronderwijs, waarbij jongeren hun eigen leeservaringen niet herkennen in de manier waarop boeken besproken en beoordeeld worden, contraproductief. Bovendien wordt in sommige schooltypen, vooral het beroepsonderwijs, weinig aandacht besteed aan literatuur. De combinatie van factoren zorgt er voor dat veel jongeren, en vooral diegenen uit 'leesarme' omgevingen, in deze leeftijdsfase afhaken. Sommige groepen allochtone jongeren zijn bovendien van huis uit meer bekend met een vertelcultuur. In het onderwijs wordt van die literaire ervaring weinig gebruik gemaakt.
Leesbevorderingsactiviteiten voor deze groep zouden zich moeten richten op de verbetering van het imago van het lezen door middel van campagnes waarin ook de nieuwe media een rol spelen. Projecten in het onderwijs zouden moeten stimuleren dat jongeren met elkaar in gesprek gaan over boeken die ze hebben gelezen.

In Nederland en Vlaanderen zijn al verschillende leesbevorderinginitiatieven voor jongeren ontwikkeld:
Bazar, de Jeugdjury's, de Jonge Jury, Bulkboek's Dag van de Literatuur, de Jonge Gouden Uil en het Fahrenheit project. Met uitzondering van het project Bazar, dat voor leerlingen in het vmbo is ontwikkeld, worden met deze projecten vooral jongeren bereikt in de hogere vormen van het voortgezet onderwijs. Het project Bazar is een experimenteel project, waarbij wordt onderzocht welke instrumenten goed werken voor de doelgroep.
Er zijn nog steeds veel vragen over hoe deze leeftijdsgroep het beste benaderd kan worden. Ook bestaat er onduidelijkheid over de afbakening van de doelgroep, met name de vraag op welke leeftijd het grootste risico op leesuitval bestaat, in de groep van 12 tot 15 jaar of in de groep van 15 tot 18 jaar. Het lijkt de Raad aangewezen om de expertise op dit terrein uit noord en zuid bijeen te brengen.

Randvoorwaarden voor leesbevordering in het onderwijs
Vanzelfsprekend speelt het onderwijs een belangrijke rol in leesbevordering. Het gaat er daarbij niet alleen om dat het onderwijs een taak heeft in de uitvoering van leesbevorderingsprojecten. Het gaat ook om de vraag in hoeverre er in het reguliere onderwijs aandacht is voor lezen en hoe lees- en literatuuronderwijs kunnen bijdragen aan het plezier in lezen. Zowel in Nederland als Vlaanderen wordt nagedacht over de vraag hoe lees- en literatuurdidactiek kunnen bijdragen aan leesmotivatie. Daarbij kunnen verschillende deelaspecten worden onderscheiden:

Tijdens de veldraadpleging bleek dat t.a.v. leesbevordering in het lees- en literatuuronderwijs een aantal specifieke vragen bestaan. Voordat nagedacht kan worden over een gezamenlijke aanpak op dit terrein, zou men meer informatie moeten hebben over het onderwijs in het andere deel van het taalgebied, met name over aspecten als de structuur, eindtermen en kerndoelen.

De deskundigen signaleerden tijdens de veldraadpleging ook een aantal gezamenlijke vragen en problemen:

Aanbevelingen nieuw te ontwikkelen beleid:


Het Comité van Ministers zou er op moeten toezien dat beleidsvoerende instellingen nieuwe beleidsterreinen en nieuwe initiatieven van meet af aan gezamenlijk ontwikkelen voor het hele taalgebied.

Voor- en vroegschoolse leeftijd
Een plan van aanpak voor leesbevordering voor kinderen in de voor- en vroegschoolse leeftijd met de volgende elementen:

Hiertoe zou op korte termijn een bijeenkomst met deskundigen uit Nederland en Vlaanderen georganiseerd moeten worden waarbij expertise bij elkaar wordt gelegd en activiteiten worden geïnventariseerd.

Jongeren
Er zou een expertbijeenkomst georganiseerd moeten worden met deskundigen op het terrein van leesbevordering voor jongeren resulterend in een doelgroepenstrategie en plan van aanpak voor (allochtone) jongeren en jongeren in het beroepsonderwijs gericht op het imago van het lezen en op de interactie over boeken op een manier die aansluit bij de wijze waarop jongeren lezen.

Bevordering van leesplezier in het onderwijs (zie ook 2.3 en 2.4)



2.2 Beleidsvoorbereidend onderzoek en evaluatieonderzoek

Bij de ontwikkeling van een leesbevorderingsbeleid en -instrumenten zijn nog veel vragen onbeantwoord. Omdat de meeste van deze vragen zich niet beperken tot Nederland of Vlaanderen, ligt het voor de hand om juist bij het beleidsvoorbereidend onderzoek de krachten te bundelen. Het gaat om de volgende typen onderzoeksvragen:

I Probleemdefinitie/definitie van doelgroepen
Het gaat hier om feitelijke gegevens over het leesgedrag (en ook leen- en koopgedrag) van verschillende groepen, 'ontlezing', risicoleeftijden en -groepen voor ontlezing. Aan de hand van deze gegevens kunnen doelgroepen en doelstellingen voor leesbevordering worden gespecificeerd. Het gaat zowel om grootschalig cijfermatig onderzoek als om kleinschalig kwalitatief onderzoek.

II Doelstellingen van leesbevordering/aannames over lezen
Het gaat hier om de explicitering van doelstellingen die met leesbevordering nagestreefd worden en de verheldering daarvan:
algemene doelstellingen die (vaak impliciet) met leesbevordering nagestreefd worden: maatschappelijke participatie, cultuurparticipatie, leesvaardigheid, integratie, en ook het verkopen en uitlenen van boeken. Het verhelderen en definiëren van deze doelstellingen en de relatie tussen (welk soort) lezen en deze doelen is een belangrijke taak voor de wetenschap;
specifieke doelstellingen: 'meer lezen, beter lezen (leesvaardigheid, leescompetentie, literaire competentie), het lezen van werken met meer kwaliteit en leesplezier' zijn veel gebruikte termen bij het omschrijven van de doelstellingen van activiteiten en instrumenten. Om het mogelijk te maken om te controleren of deze doestellingen ook worden bereikt, zou een gemeenschappelijk begrippenkader met goed gedefinieerde begrippen ontwikkeld moeten worden.

III Instrumenten, strategieën en hun effect
Het gaat hier om onderzoek naar de vraag welke instrumenten en strategieën werken voor welke doelgroepen en doelstellingen. Binnen het onderzoek naar leesbevordering heeft evaluatieonderzoek naar het effect van reeds beproefde leesbevorderingsinstrumenten prioriteit.

IV Onderzoeksvragen die specifiek betrekking hebben op Nederlands-Vlaamse integratie/samenwerking
Soms vormen, al dan niet gefundeerde, aannames over het andere deel van het taalgebied een belemmering voor het gezamenlijk opzetten van activiteiten. Dit speelt bijvoorbeeld regelmatig bij het uitgeven of annoteren van Vlaamse (kinder)boeken. Nederlandse uitgevers en bibliothecarissen gaan er dan vanuit dat de aanwezigheid van Vlaamse woorden tot begripsproblemen zouden leiden bij Nederlandse lezers. Onderzoek zou kunnen uitwijzen welke aannames reëel zijn en welke niet. Ook zou onderzoek gedaan kunnen worden naar verschillen tussen de Nederlandse en Vlaamse leescultuur.

Stichting Lezen heeft op dit moment een onderzoeksprogramma voor leesbevordering in voorbereiding. De Raad is van mening dat dit onderzoeksprogramma en de daaruit voortvloeiende opdrachten gezamenlijk voor het hele taalgebied ontwikkeld moeten worden, ongeacht of dit onderzoek door Nederlandse of Vlaamse onderzoekers wordt uitgevoerd. Voorts zouden onderzoeken met respondenten uit het andere deel van het taalgebied uitgebreid moeten worden, waarmee tegelijkertijd ook de representativiteit van het onderzoek wordt vergroot.
Stichting Lezen heeft een groot netwerk van onderzoekers met wie regelmatig bijeenkomsten worden belegd Tijdens de veldraadpleging bleek dat het Vlaamse netwerk van leesbevorderingsonderzoekers veel minder omvangrijk is dan het Nederlandse. Er is dan ook te weinig zicht op hetgeen in Vlaanderen tot nu toe is onderzocht. Het zou zinvol zijn om na te gaan of er binnen verschillende disciplines zoals psychologie, pedagogiek, talenstudies onderzoekers zijn die zich bezighouden met leesthematiek en zo het netwerk van leesonderzoekers uit te breiden.

Aanbevelingen beleidsvoorbereidend onderzoek en evaluatieonderzoek




2.3 Gezamenlijke leesbevorderingsprojecten

De meeste leesbevorderingsprojecten worden lokaal opgezet, veelal door scholen, bibliotheken en/of boekhandels. Bij deze projecten ligt Nederlands-Vlaamse samenwerking niet direct voor de hand. Gezien de tijd en middelen die nodig zijn voor het opzetten van een leesbevorderingsproject zou het wel van belang zijn als op een centrale plaats, bijvoorbeeld op internet, good-practice uitwisseling plaatsvindt. Bij de veldraadpleging bleek dat daaraan ook grote behoefte bestaat. Het gaat dan niet zozeer om de projecten zelf als wel om modellen of formats van projecten die elders met kleine aanpassingen kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast heeft men behoefte aan informatie over de voortgang van lopende projecten.

Bij grootschalige projecten met een sensibiliseringsoogmerk ligt samenwerking wel voor de hand. Ook kan de sensibiliserende waarde van een project worden vergroot door het grootschaliger karakter. Juist grotere projecten zouden tenslotte een goed instrument vormen voor het op gang brengen van de Nederlands-Vlaamse dialoog. Het gaat dan vooral om projecten waar lezers in aanraking komen met lezers en schrijvers uit het andere deel van het taalgebied en met elkaar communiceren over het gelezene. Verder zijn er ook praktische redenen voor gezamenlijke projecten. Grote projecten zijn arbeidsintensief en kostbaar.

In het verleden is gebleken dat het uitbreiden van bestaande activiteiten naar het andere deel van het taalgebied niet altijd succesvol is. Zo verschillen de Nederlandse en Vlaamse kinderjury teveel in werkwijze en aanpak om samenwerking op korte termijn zinvol te maken. Ook de Nationale Voorleesdag komt niet in eerste instantie in aanmerking omdat het wedstrijdelement in Vlaanderen weinig bijval vindt.
De Raad heeft daarom aan het veld de vraag voorgelegd welk type activiteiten zich bij uitstek lenen voor samenwerking.

De leesbevorderaars adviseerden dat beleids- en leesbevorderingsinstanties bij de ontwikkeling van nieuwe grootschalige projecten steeds nagaan of dit in gezamenlijkheid voor het hele taalgebied kan gebeuren.
Een sensibiliseringsproject voor jongeren, met name jongeren die weinig literatuuronderwijs krijgen heeft daarbij prioriteit. Daarnaast werden een aantal specifieke projecten aangemerkt als geschikt voor een gezamenlijke aanpak:

Voorts werden als mogelijkheden genoemd een gezamenlijke boekenbon en een gezamenlijk literair televisieprogramma.

Nieuwe gezamenlijke projecten en nieuwe initiatieven binnen bestaande projecten zouden in aanmerking moeten komen voor een startsubsidie voor maximaal drie jaar.

Een specifieke belemmering bij het opzetten van gezamenlijke projecten is het feit dat de agenda's van boekpromotie in Nederland en Vlaanderen niet gelijklopen: De Vlaamse kinderboekenweek loopt tegelijk met de Nederlandse Boekenweek terwijl de Nederlandse kinderboekenweek in bijna dezelfde periode plaatsvindt als de Vlaamse Boekenbeurs. Afstemming van deze evenementen is een wens van leesbevorderaars. Op termijn zou afstemming van deze evenementen zeker zinvol zijn, maar dit lijkt niet direct realiseerbaar. In samenwerking met het platform voor het boekenvak ONUB zou hierover wel een eerste oriënterend en inventariserend gesprek gevoerd moeten worden.

Aanbevelingen gezamenlijke projecten




2.4 Documentatie en informatie

Informatie over activiteiten aan de andere zijde van de grens vormt een voorwaarde voor gezamenlijk beleid en voor de Nederlands-Vlaamse samenwerking. Er bestaat veel behoefte aan informatie over allerlei aspecten van leesbevordering in het andere deel van het taalgebied: deskundigen, modellen voor leesbevorderingsprojecten, informatie over organisaties en hun beleid, en informatie over de infrastructuur. Deze informatie zou op een centrale plaats bijeen bijeengebracht moeten worden in databanken (bij voorkeur via internet raadpleegbaar). De databanken moeten vanuit die centrale plaats doorzoekbaar zijn op relevante aspecten, zoals doelgroep, doelstelling, werkterrein (onderwijs, bibliotheek e.d.) omvang en tijdsinvestering. Ze moeten in eerste instantie opgezet moeten worden voor die terreinen die aangemerkt zijn als onderwerp van gezamenlijk beleid, nl. voor- en vroegschoolse educatie en jongeren. Bij de uitwerking via deze bestanden zou gebruik gemaakt moeten worden van de expertise binnen het bibliotheek- en documentatieplatform Sabido.

Modellenbank voor leesbevorderingsprojecten
Medewerkers leesbevordering hebben behoefte aan een overzicht van projectmodellen en good-practice voorbeelden. Dit zijn geen complete projecten, maar blauwdrukken die met kleine aanpassingen en aanvullingen ook elders uitgevoerd kunnen worden. Een goed voorbeeld is dat een aantal bibliotheken een 'peutermaand' hebben georganiseerd. Wanneer zo'n project systematisch wordt omschreven kan dit na specifieke aanpassingen door andere bibliotheken worden uitgevoerd.

Informatie over leesbevorderingsorganisaties en hun beleid
Hierbij wordt gedacht aan een overzicht van instellingen met (samenvattingen van) adressen, doelstelling, werking, beleidsplannen, actieplannen en jaarverslagen.

'Deskundigenbank'
Een database met deskundigen op het terrein van leesbevordering. Dit is ook van belang voor gezamenlijke nascholing en deskundigheidsbevordering. Voorbeeld: iemand die een cursus voorlezen kan verzorgen, iemand die ervaring heeft met televisieprogramma's over prentenboeken.

Infrastructuur
Informatie over de structurele eigenschappen van bijvoorbeeld het bibliotheekwerk, boekenvak en het onderwijs, de kinderopvang. Hoe is dit opgezet? Welke koepelorganisaties zijn er? Welke media worden gelezen in de branche? Welke kanalen zijn er om doelgroepen te bereiken (onderwijs, ouderverenigingen, kinderdagverblijven, media)? Wie zijn belangrijke contactpersonen? Deze informatie is onontbeerlijk bij de opzet van gezamenlijke activiteiten, maar is ook een voorwaarde om gezamenlijk beleid te ontwikkelen.

Deze geformaliseerde informatie-uitwisseling kan de bestaande kanalen zoals tijdschriften en persoonlijk contact niet vervangen. Daarom moet ze steeds geflankeerd worden door overleg en -uitwisselingsbijeenkomsten.

Aanbevelingen documentatie en informatie:


  1. De ontwikkeling van (elektronische) informatievoorzieningen over deskundigen op het gebied van leesbevordering, good-practice voorbeelden en projectmodellen, infrastructuur (onderwijs, bibliotheekwerk, kinderopvang) en leesbevorderingsinstellingen. Het bibliotheek- en documentatieplatform Sabido wordt geraadpleegd over de uitvoering.
  2. De organisatie van Nederlands-Vlaamse bijeenkomsten rond leesbevorderingsthema's en lees- en literatuurmethodes.


3. De Rol van de Taalunie

Het Comité van Ministers heeft de het algemeen secretariaat verzocht om voor de meerjarenbeleidsperiode 2003-2007 in samenwerking met Stichting Lezen en de bevoegde Vlaamse instantie(s) een meerjarenplan leesbevordering te maken. De rol van de Taalunie zou daarbij initiërend en coördinerend moeten zijn. De Taalunie brengt partijen om de tafel, organiseert bijeenkomsten en zorgt er voor dat het werkterrein in kaart wordt gebracht. Bij gezamenlijke projecten kan de Taalunie ook een instrumentele rol vervullen. Er zou dan ook een geoormerkt budget moeten zijn voor het initiëren van gezamenlijke activiteiten en voor het opzetten van een gezamenlijk informatie- en documentatievoorziening. Voor het signaleren van nieuwe beleidsterreinen en initiatieven en voor het ontwikkelen van plannen van aanpak zou een bescheiden overlegstructuur moeten worden ingericht.

Overige adviezen

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties