- Het verzoek van de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie
- De reactie van het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie
- Samenvatting van het advies
De Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie (IPC) heeft het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie (CvM) bij brief van 24.2.2000 (NTU/21/wk) verzocht te komen met een notitie over "een gemeenschappelijk sociaal taalbeleid voor Nederland en de Vlaamse Gemeenschap". De IPC deed dit verzoek tegen de achtergrond van een drietal, door haar in samenhang gepresenteerde constateringen, namelijk:
- de constatering van het bestaan van "taalachterstanden" bij "nieuwe immigrantengroepen" en "achterstandsgroepen binnen de autochtone bevolking" (als voorbeeld wordt er op gewezen dat 10% van de bevolking "functioneel analfabeet" is);
- de constatering dat deze taalachterstanden, nader omschreven als "achterstanden in spreek-, lees- en schrijfvaardigheid" voorspellende waarde hebben voor "groeiende sociale ongelijkheid" op gebieden als "onderwijs, arbeidsmarkt, maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid";
- de (impliciet met de twee bovenstaande in causaal verband gebrachte) constatering dat "het belang van goed taal- en letterenonderwijs de afgelopen jaren werd onderschat".
Deze drie constateringen worden door de IPC als samenhangend gepresenteerd, er wordt dus een impliciet causaal verband gelegd tussen taalachterstand, onderwijs en groeiende maatschappelijke ongelijkheid.
Het verband tussen taalachterstand en onderwijs werkt de IPC nader uit in de vaststelling dat "het onderwijs op het gebied van taal en letteren in de afgelopen jaren, ondanks vele inspanningen, onvoldoende resultaat heeft gehad in het bestrijden van deze taalachterstanden" en dat "daarmee [...] de mogelijkheid van het vergroten van het aantal mensen wat binnen onze landsgrenzen Nederlands spreekt niet ten volle benut is kunnen worden". "Taalonderwijs" (niet: taal- en letterenonderwijs) omschrijft de IPC vervolgens als "niet alleen het onderwijs op reguliere scholen, maar ook alfabetiseringsprojecten, specifiek onderwijs voor volwassenen, nieuwe groepen, zij-instromers, oudkomers in alle levensfasen, en op alle niveau's, met verschillende leermethodes en met alle leermiddelen met inbegrip van TV en nieuwe media".
Naar aanleiding van het bovenstaande stelt de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren (RNTL) vast:
- dat de IPC met haar vraag om een sociaal taalbeleid een kwestie aan de orde stelt die van groot en vooralsnog blijvend belang is, gezien achterblijvende maatschappelijke participatie van autochtone en allochtone groepen in achterstandssituaties in Nederland en Vlaanderen;
- dat de IPC in de bestrijding van taalachterstanden (in brede zin) aan het taal- en letterenonderwijs (in brede zin) in Nederland en Vlaanderen terecht een belangrijke instrumentele rol toekent;
- dat er wat deze problematiek betreft tussen Nederland en Vlaanderen zowel overeenkomsten als verschillen bestaan, wat een gecoördineerd Nederlands-Vlaams beleid mogelijk en wenselijk maakt;
- dat het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie en de bijbehorende Memorie van Toelichting onder artikel 5 voldoende aanknopingspunten bevatten om in gezamenlijkheid een Nederlands-Vlaams sociaal taalbeleid te ontwikkelen dat een bijdrage kan leveren aan de oplossing van de geconstateerde problematiek.
De RNTL tekent hierbij overigens aan dat enkele van de door de IPC in haar verzoek gebruikte centrale begrippen nadere precisering behoeven. Het betreft:
- de zeer algemene aanduiding 'taalachterstand', waar lijkt te worden gedoeld op een onvoldoende beheersing van het Nederlands in de onderscheiden taalvaardigheden (waarvan de luistervaardigheid ongenoemd blijft), zonder dat wordt ingegaan op de aard en de mate van die achterstand;
- de aanduiding 'taal- en letterenonderwijs' (naast de ook gebruikte aanduiding 'taalonderwijs'), waarmee lijkt te worden gedoeld op taalvaardigheidsonderwijs Nederlands in uiteenlopende onderwijscontexten, voor uiteenlopende doelgroepen, op uiteenlopende niveaus en met inzet van uiteenlopende onderwijsleermiddelen en didactieken. Daarmee blijven buiten beschouwing: taalinzicht en literatuurinzicht als dimensies van het onderwijs Nederlands, Nederlands als tweede taal, het gebruik van Nederlands als instructietaal in alle vakken, het gebruik van minderheidstalen als hulptaal bij het onderwijs en minderheidstalen als vak.
2 De reactie van het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie
Het CvM heeft in zijn vergadering van 9.5.2000 besloten in te gaan op het verzoek van de IPC en geeft in een daarop volgende notitie 'Sociaal taalbeleid' "de grote lijnen" van zijn beleid terzake aan. Daarbij wordt ingegaan op de definitie van sociaal taalbeleid, op de stand van zaken en mogelijke opties met betrekking tot gemeenschappelijk beleid en op de rol van de Nederlandse Taalunie in dezen. Dit advies gaat achtereenvolgens in op algemene uitgangspunten (2.1), samenwerkingsmodaliteiten (2.2), actiepunten (2.3) en de rol van de NTU (2.4).
Een samenvatting van het advies in hoofdpunten volgt in par. 3.
Het CvM definieert sociaal taalbeleid ruim, dat wil zeggen als beleid dat "als doel heeft het maatschappelijk functioneren van de taalgebruiker te beïnvloeden". Deze ruime omschrijving omvat zowel achterstandsbestrijding via alle vormen van onderwijs die maatschappelijke uitsluiting beogen tegen te gaan, als ook (verdere) culturele en talige ontwikkeling en inclusie van achtergestelde en niet-achtergestelde groepen. Binnen deze ruime omschrijving kiest het CvM in eerste instantie voor een uitwerking van sociaal taalbeleid, gericht op de bestrijding van maatschappelijke achterstand en uitsluiting.
De RNTL deelt de opvatting van het CvM dat sociaal taalbeleid, hoewel het niet verengd mag worden tot achterstandsbestrijding via taalonderwijs, daarop op dit moment wel prioritair de aandacht moet richten. De RNTL wijst echter op twee risico's die met de gepresenteerde definitie en prioritering samenhangen. Een eerste risico is dat sociaal taalbeleid, door de ruime definitie die het CvM geeft, een diffuus containerbegrip wordt. Als dat gebeurt bestaat de kans dat de meest uiteenlopende op het taalonderwijs in ruime zin gerichte innovaties erin worden ondergebracht, zonder dat er nog sprake is van een directe relatie met achterstandsbestrijding. Een tweede risico is dat de beide onderscheiden dimensies van sociaal taalbeleid (achterstandbestrijding en talig-culturele ontwikkeling) zolang zij niet nader zijn uitgewerkt, op oneigenlijke gronden tegenover elkaar komen te staan, waar het toch feitelijk gaat om twee kanten van een en dezelfde medaille. De RNTL acht derhalve een nadere uitwerking van de beide dimensies van sociaal taalbeleid in onderlinge samenhang van groot belang. Hij geeft daartoe de volgende aanzet.
Kernconcepten in de door het CvM geschetste contouren van sociaal taalbeleid zijn participatie en emancipatie. Daarbij wordt er voor gekozen voorlopig het accent te leggen op een terrein waarvoor beide begrippen relevant zijn: onderwijs Nederlands aan autochtone en allochtone leerlingen in achterstandssituaties. Dit onderwijs moet er niet alleen voor zorgen dat deze leerlingen kunnen deelnemen aan de Nederlandstalige samenleving, het moet er ook voor zorgen dat die participatie vorm kan krijgen in gelijkwaardigheid met andere participanten. Een dergelijk op emancipatie gericht beleid dat taal en cultuur als object heeft, komt als vanzelf terecht in het spanningsveld tussen het culturele en het sociale. Met betrekking tot het onderwijs wordt dit spanningsveld concreet in de tegenstelling tussen de emanciperende en reproducerende kracht van deze maatschappelijke institutie. Enerzijds houdt emancipatie in dat achtergestelde groepen toegang wordt verschaft tot die cultuuruitingen die in de maatschappij als waardevol worden beschouwd. Anderzijds brengt het 'verheffen' van deze groepen hen er toe die dominante cultuuruitingen ook als waardevol te erkennen. Maar het gevaar bestaat dat ze, in vergelijking daarmee, hun eigen culturele gedrag als minderwaardig gaan beschouwen.
In beleidsmatig opzicht kan het geschetste spanningsveld tot zeer uiteenlopende standpunten leiden. Het ene extreem is dat men de autonome waarde van de legitieme cultuur centraal stelt en emancipatie tracht te bereiken door het naar die cultuur brengen van achtergestelde groepen. Het andere extreem is dat men het perspectief van de achtergestelde groep kiest en emancipatie tracht te bereiken door de culturele uitingen van die groep te verheffen tot legitieme cultuur.
De RNTL is van mening dat het antwoord op het geformuleerde dilemma niet ligt in een van beide extremen. Veeleer zal gestreefd moeten worden naar een combinatie van beide benaderingen. Zowel de toegankelijkheid van de dominante cultuur voor groepen in achterstandssituaties, als de waardering door de dominante groep van de culturele uitingen van achtergestelde groepen zal moeten worden verbeterd. Een dergelijke combinatie moet niet worden opgevat als een statisch gegeven. Ze zou moeten leiden tot interactie en wisselwerking in een dynamisch proces waarbij toenemende participatie in de meerderheidscultuur niet gepaard hoeft te gaan met vervreemding van de eigen culturele traditie, en waarbij waardering voor die eigen culturele traditie geen sta-in-de-weg vormt voor deelname aan de dominante cultuur.
Wanneer we deze algemene beschouwing toepassen op het onderwijs Nederlands betekent dit, dat er moet worden gezocht naar een balans tussen, aan de ene kant, het belang van het onderwijs in de Nederlandse standaardtaal aan groepen die door hun gebrek aan beheersing van deze variëteit in een achterstandspositie dreigen terecht te komen of daarin dreigen te worden bevestigd, en, aan de andere kant, het belang van het creëren van ruimte en waardering voor talige verscheidenheid in het onderwijs. Dit kan wellicht het beste gebeuren door de functionele aspecten van taal te beklemtonen en niet exclusief de normativiteit van taal. Normatieve benaderingen laten immers weinig ruimte voor waardering van verschillen. Een functionele benadering doet dat wel.
Een sociaal taalbeleid dat langs deze lijnen wordt ontwikkeld sluit goed aan bij het algemene taalbeleid dat de NTU, conform het bepaalde in het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie voert. Dit beleid is in het kader van de recente viering van het twintigjarig bestaan van de NTU nog eens expliciet onder de aandacht gebracht in een confrontatie van de verdragsdoelstellingen van de NTU met de maatschappelijke uitdagingen van vandaag en morgen. Het is, behalve op de taal als een op zichzelf staand cultureel gegeven, meer dan in het verleden ook gericht op de burgers en hun taalbehoeften. Het is gericht op behoud en versterking van de communicatieve functies van het Nederlands in het maatschappelijk-institutioneel en intermenselijk verkeer. Doel van het beleid is dat gebruikers van het Nederlands en Nederlandstalige cultuurproducten in staat worden gesteld op elke moment te beschikken over alle instrumenten en hulpmiddelen om in alle situaties adequaat en efficiënt met het Nederlands om te kunnen gaan en volwaardig te kunnen (blijven) participeren in alle sectoren van het maatschappelijk leven en alle domeinen van menselijke kennis en kunde. In een aldus geconcipieerd beleid gaan culturele participatie en maatschappelijke emancipatie samen. In het kader van de culturele dimensie worden beleidsactiviteiten goeddeels bepaald door, en zijn zij gericht op het bevorderen en tot stand brengen van eenheid. Het gaat dan om zaken als het gezamenlijk bepalen van de officiële spelling en spraakkunst van de Nederlandse taal, het bepalen van een gelijke terminologie ten behoeve van wetgeving en officiële publicaties en het bevorderen van het onderwijs in de Nederlandse taal - met daarbij de uitdrukkelijke bepaling van de eenheid van de taal en de gemeenschappelijkheid van de letteren. Als in het taalbeleid de taalgebruiker en zijn behoeften centraal worden gesteld zijn de kernwoorden niet alleen eenheid en uniformiteit maar evenzeer variatie en verscheidenheid. Dit betekent niet dat de aandacht voor het verbeteren van de toegang tot de Nederlandse standaardtaal en het verbeteren van de beheersing van die taal minder belangrijk worden. Integendeel, beheersing van de Nederlandse standaardtaal als middel tot participatie en emancipatie is en blijft voor de betrokken achterstandsgroepen van eminent belang. Tegelijkertijd is sociaal taalbeleid echter ook gericht op het bevorderen van een tolerantere houding en een grotere acceptatie van verscheidenheid, niet alleen ten aanzien van variëteiten van het Nederlands maar ook ten aanzien van andere variëteiten dan het Nederlands, waarbij de talige behoeften van taalgebruikers het uitgangspunt vormen.
Sociaal taalbeleid is een reactie op de constatering dat de in Nederland en Vlaanderen aanwezige talige en culturele heterogeniteit leidt tot een als onwenselijke beschouwde maatschappelijke uitsluiting van groepen in achterstandssituaties. De inzet is daarbij niet die variatie door middel van homogeniserend taalonderwijs te vervangen door talige en culturele uniformiteit, maar het is de bedoeling te komen tot acceptatie en waardering van heterogeniteit. Op basis daarvan kan in de samenleving en in het onderwijs met die verschillen worden omgaan op een wijze die tegelijkertijd recht doet aan die verschillen en bevorderlijk is voor de bereidheid de Nederlandse standaardtaal te leren. Een dergelijke benadering kan maatschappelijke inclusie bevorderen en maatschappelijke exclusie tegengaan: eenheid in verscheidenheid.
Sociaal taalbeleid situeert zich naar het oordeel van de RNTL dan ook expliciet binnen het taalgebruikersperspectief in het algemene taalbeleid van de NTU waarvoor het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie en de bijbehorende Memorie van Toelichting onder Artikel 5 de basis leggen. Het vormt een operationalisering van dit beleid, waarvan de RNTL hoge verwachtingen koestert. De RNTL doet deze vaststelling zonder de maatschappelijke realiteit en de realiteit van het onderwijs uit het oog te verliezen. Het zijn natuurlijk niet alleen de taal en het taalonderwijs die bepalend zijn voor schoolsucces en maatschappelijk succes: 'Education cannot compensate for society' (Bernstein). Taal en taalonderwijs zijn in dezen echter wel een centraal aandachtspunt.
De RNTL adviseert het brede concept sociaal taalbeleid in aansluiting bij de door hem gegeven begripsbepaling en het zich ontwikkelende, hierboven globaal aangeduide, algemene taalbeleid van de NTU nader uit te werken, en in die uitwerking zowel de culturele als de sociale dimensie van sociaal taalbeleid te betrekken.
Het CvM noemt als het gaat om sociaal taalbeleid twee opties:
- Nederland en Vlaanderen voeren ieder hun eigen beleid en streven naar wederzijdse informatie-uitwisseling over dit beleid;
- Nederland en Vlaanderen ontwikkelen een gemeenschappelijk beleid.
Het CvM kiest er vervolgens voor waar mogelijk een gemeenschappelijk sociaal taalbeleid te ontwikkelen. Daarbij tekent het aan dat dergelijk beleid niet van de ene op de andere dag vorm kan krijgen en dat niet per se alles op dit terrein dan ook automatisch gemeenschappelijk opgezet moet worden.
De RNTL onderschrijft de keuze van het CvM voor samenwerking op het gebied van sociaal taalbeleid. Hij merkt daarbij echter op dat de keuze voor samenwerking op verschillende niveaus gemotiveerd kan zijn en dat het voor het welslagen van de samenwerking belangrijk is die motieven te expliciteren. De RNTL onderscheidt in dit verband drie niveaus van c.q. motieven voor samenwerking. Het betreft:
- samenwerking uit (primair) praktische overwegingen;
- samenwerking uit (primair) inhoudelijke overwegingen;
- samenwerking uit (primair) taalpolitiek-ideologische overwegingen.
In het eerste geval is de samenwerking zuiver instrumenteel: het kan effectief, efficiënt en praktisch zijn om samen te werken. De samenwerking kan leiden tot een bredere Nederlands-Vlaamse acceptatie van de resultaten, maar de resultaten zelf worden er niet fundamenteel anders door dan bij een unilaterale aanpak (voorbeeld: taalzorgactiviteiten zoals beschrijving en normering van het Nederlands). In het tweede geval is er, behalve praktisch nut, ook sprake van een inhoudelijke meerwaarde. De bilaterale samenwerking is dan, als gevolg van de verschillende taalgebruiksrealiteiten in Nederland en Vlaanderen, mede bepalend voor de aard van de resultaten van de samenwerking (voorbeeld: conceptualisering en vormgeving van onderwijs Nederlands als eerste en tweede taal). In het derde geval gaat de samenwerking verder dan de wens een bepaald praktisch en inhoudelijk interessant onderwerp (met meerwaarde) samen aan te pakken. Het gaat er dan veeleer om de Nederlands-Vlaamse samenwerking te beschouwen als een experiment in integratie waarbij het aangepakte onderwerp, behalve dat het een praktisch en inhoudelijk gemotiveerd doel dient, tegelijkertijd een middel is om het doel van verdergaande Nederlands-Vlaamse integratie op het werkterrein van de NTU te bereiken. (Een dergelijk experiment in taalpolitieke integratie kan ook verhelderend zijn voor het grote project van Europese integratie en samenwerking waar de NTU deel van uitmaakt.)
De drie genoemde niveaus van samenwerking zijn gemakkelijk te verbinden met de drie niveaus van betrokkenheid die worden onderscheiden in de theorievorming over innovatieprocessen. Primair praktisch gemotiveerde samenwerking zou over het algemeen enkel leiden tot adoptie of acceptatie van de resultaten, zonder dat daaraan directe en blijvende consequenties worden verbonden. Inhoudelijk gemotiveerde samenwerking zou leiden tot implementatie, daadwerkelijke maar niet per se structurele gebruikmaking van de resultaten. Vooral ideologisch gemotiveerde samenwerking tot slot zou leiden tot incorporatie, institutionalisering of integratie van de resultaten in het vaste handelingsrepertoire van betrokkenen.
Het door het CvM in par. 2.2 gegeven overzicht van voorbije en lopende vormen van samenwerking in relatie tot taalonderwijs laat zien dat tot dusver vooral praktisch en inhoudelijk gemotiveerde activiteiten overheersen. De RNTL is van mening dat bij de gemeenschappelijke ontwikkeling van sociaal taalbeleid door de NTU op deze initiatieven en activiteiten moet worden voortgebouwd. Sociaal taalbeleid is volgens de RNTL een onderwerp waarop in principe alle drie de onderscheiden motieven voor samenwerking van toepassing zijn. Het verdient volgens de Raad mede met het oog op het gewenste niveau van betrokkenheid echter de voorkeur dit onderwerp primair vanuit het derde hierboven geschetste taalpolitiek-ideologische perspectief aan te pakken. De ontwikkeling van sociaal taalbeleid wordt dan, behalve als middel ter bevordering van de participatie en emancipatie van achtergestelde groepen, ook opgevat als middel om te komen tot een verdere beleidsmatige talige en culturele integratie van Nederland en de Vlaamse Gemeenschap in Europees perspectief.
Het CvM heeft het Algemeen Secretariaat van de NTU gevraagd mogelijkheden te verkennen voor een gemeenschappelijke aanpak van "het Nederlands in het inburgerings- en onthaaltraject" en "het stimuleren van tweede-taalverwerving bij jonge kleuters". Vanuit de eerder gegeven beschouwing over sociaal taalbeleid onderschrijft de RNTL deze keuze en de voor deze keuze gegeven argumenten. De overeenkomsten en verschillen in de Nederlandse en Vlaamse benadering van beide onderwerpen maken dat ze niet alleen op praktisch en inhoudelijk niveau, maar ook op taalpolitiek-ideologisch niveau tot veelbelovende en voor het veld vruchtbare samenwerking kunnen leiden.
De RNTL geeft het CvM nog vier andere actiepunten in overweging.
1 In aansluiting op eerdere samenwerkingsactiviteiten zoals door het CvM aangeduid in par. 2.2 stelt de RNTL voor een nadere verkenning uit te voeren naar de mate waarin gestreefd kan worden naar een gemeenschappelijke aanpak van het reguliere onderwijs Nederlands als eerste en tweede taal in etnisch, cultureel en talig heterogene klassen. Het gaat hier om een thematiek die in sociaal taalbeleid een centrale plaats inneemt, die in Nederland en Vlaanderen tot verschillende inzichten en benaderingen heeft geleid en die praktische en inhoudelijk interessant is. Bij de verkenning kan worden aangesloten bij de activiteiten van het voormalige Samenwerkingsverband Nederlands als Tweede Taal en het huidige Platform Onderwijs Nederlands. Het perspectief van de onderneming zou kunnen liggen in de ontwikkeling van wat in aansluiting bij het Angelsaksische gebruik van het begrip 'language policy across the curriculum' in het Nederlandse-taalgebied wel wordt aangeduid als 'schooltaalbeleid' (vergelijk ook het recente NTU-initiatief van de Taalunie Onderwijsprijs).
2 Onder verwijzing naar het belang dat de IPC hecht aan de inzet van nieuwe media bij het taalonderwijs stelt de RNTL voor de rol van de televisie en andere media waaronder het internet als instrument voor taalverwerving in de privé-sfeer (opnieuw) te exploreren. De aandacht kan daarbij primair gericht zijn op de rol die deze per definitie grensoverschrijdende middelen kunnen spelen in de verwerving van het Nederlands in inburgeringstrajecten en in de voorschoolse periode. Het doel zou hier zijn te komen tot uitwisseling van expertise en het uitzetten van toekomstige gemeenschappelijke beleidslijnen.
3 Schoolsucces, ook op het gebied van de Nederlandse taal, wordt doorgaans vastgesteld op basis van toetsresultaten. Het is met andere woorden van groot belang in het onderwijs te kunnen beschikken over toetsen die betrouwbaar en valide zijn en die aansluiten bij zich ontwikkelende denkbeelden over (gedifferentieerde) taalbehoeften en -doelstellingen en de wijze waarop het onderwijs in het Nederlands in aansluiting daarbij optimaal kan worden vormgegeven. Mede tegen de achtergrond van de in Nederland en Vlaanderen gevoerde maatschappelijke en wetenschappelijke discussie over de ontwikkeling en het gebruik van toetsen ter vaststelling van door leerlingen en cursisten in de verschillende onderwijssectoren bereikte taalvaardigheid in het Nederlands, beveelt de RNTL aan dit onderwerp nader te verkennen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van ervaringen zoals zijn opgedaan binnen het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal van de NTU.
4 De RNTL acht het tot slot van primordiaal belang dat naast de genoemde beleidsmatige onderwijsontwikkelingsprojecten en ter ondersteuning daarvan een lijn van praktijk- of toepassingsgericht wetenschappelijk taalonderwijsonderzoek wordt opgezet. Daarbij zou kunnen worden aangesloten bij de al bestaande onder NWO en FWO ressorterende VNC-structuur. De ervaring leert dat toepassingsgericht taalonderwijsonderzoek daar tot dusver weinig kansrijk is. Dit actiepunt is des te klemmender omdat onderzoek naar het beleidsproces laat zien, dat het ontbreken van beleidsrelevant onderzoek in de fase van beleidsvoorbereiding doorgaans negatieve gevolgen heeft voor de slaagkans van het ontwikkelde beleid.
2.4 De rol van de Nederlandse Taalunie
De in 2.3 gedane suggesties geven aanleiding tot een slotopmerking over de positie van de NTU. De RNTL is met het CvM van mening dat de NTU een instrument dient te zijn bij het uitwerken van gemeenschappelijk sociaal taalbeleid. Er mag daarbij geen misverstand over bestaan dat het niet de bedoeling is, dat NTU-medewerkers zelf ontwikkelingsprojecten of onderzoek gaan uitvoeren. De NTU heeft hier primair een bemiddelende functie: ze beheert de gelden die voor bepaalde ontwikkelings- en onderzoeksprojecten in de sfeer van sociaal taalbeleid ter beschikking staan, wijst die op basis van offertetrajecten toe aan personen en/of instanties die voor het uitvoeren van betreffende projecten het best geëquipeerd zijn en zorgt vervolgens voor coördinatie en monitoring op de achtergrond. De NTU komt weer prominent in beeld in de fase van bilaterale disseminatie en implementatie van de bereikte resultaten. Deze fase dient in het perspectief van de RNTL integraal onderdeel te zijn van elke NTU-activiteit in het kader van sociaal taalbeleid.
De Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren heeft met instemming kennisgenomen van de notitie 'Sociaal taalbeleid' die het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie op 9 mei 2000 op verzoek van de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie heeft vastgesteld.
De Raad stelt vast
- dat de ontwikkeling van sociaal taalbeleid van groot en vooralsnog blijvend belang is, gezien achterblijvende maatschappelijke participatie van autochtone en allochtone groepen in achterstandssituaties in Nederland en Vlaanderen;
- dat bij de bestrijding van taalachterstanden (in brede zin) aan het taal- en letterenonderwijs (in brede zin) in Nederland en Vlaanderen een belangrijke instrumentele rol moet worden toegekend;
- dat gezien de overeenkomsten en verschillen tussen Nederland en Vlaanderen op dit punt de ontwikkeling van een gecoördineerd Nederlands-Vlaams sociaal taalbeleid mogelijk en wenselijk is;
- dat het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie en de bijbehorende Memorie van Toelichting onder artikel 5 voldoende aanknopingspunten bevatten om in gezamenlijkheid een Nederlands-Vlaams sociaal taalbeleid te ontwikkelen.
De Raad adviseert
- het concept sociaal taalbeleid in aansluiting bij de door hem gegeven begripsbepaling en het zich ontwikkelende algemene taalbeleid van de NTU nader uit te werken en in die uitwerking zowel de culturele als de sociale dimensie van sociaal taalbeleid te betrekken;
- de ontwikkeling van sociaal taalbeleid, behalve als middel ter bevordering van participatie en emancipatie van achtergestelde groepen, ook op te vatten als middel om te komen tot een verdere beleidsmatige talige en culturele integratie van Nederland en de Vlaamse Gemeenschap in Europees perspectief;
- naast de door het Comité van Ministers beoogde projecten op het gebied van het Nederlands in het inburgerings- en onthaaltraject en het stimuleren van tweede-taalverwerving bij jonge kleuters, ook de volgende projecten te starten:
- een verkenning van de mogelijkheden van een gemeenschappelijke aanpak van het reguliere onderwijs Nederlands als eerste en tweede taal in etnisch, cultureel en talig heterogene klassen, met als perspectief de ontwikkeling van 'schooltaalbeleid';
- een verkenning van de mogelijkheden van de inzet van televisie en andere media waaronder internet als instrument voor tweede-taalverwerving in de privé-sfeer;
- een verkenning en herwaardering van de mogelijkheden van een gemeenschappelijke aanpak van de ontwikkeling van betrouwbare en valide taaltoetsen voor Nederlands;
- een verkenning van de mogelijkheden voor het opzetten van een lijn van praktijk- of toepassingsgericht wetenschappelijk taalonderwijsonderzoek ter ondersteuning van het taalbeleidsontwikkelingsproces.
- de ontwikkeling en implementatie van sociaal taalbeleid projectmatig op te zetten in die zin dat de Nederlandse Taalunie bij de uitvoering van die projecten primair een bemiddelende, coördinerende en controlerende functie heeft terwijl ze bij de disseminatie en implementatie van de bereikte resultaten het voortouw neemt.
Overige adviezen
- Advies van de Raad over internationale neerlandistiek
- Advies van de Raad over Prijs der Nederlandse Letteren
- Advies van de Raad over taalcompetenties leerkrachten
- Advies van de Raad over onderwijs Nederlands
- Advies inzake Nederlands-Vlaams Letterenbeleid
- Advies inzake taalvariatie
- Advies inzake verticale prijsbinding voor boeken in Nederland en Vlaanderen
- Advies inzake de erkenning van het Zeeuws als regionale taal
- Advies inzake taalbeleid in Europees perspectief
- Advies inzake een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid
- Advies inzake 'sociaal taalbeleid'
© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
