taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » over taalunie »

Bijlage bij besluit 4 - 59ste vergadering Comité van Ministers

Bijlage bij besluit 4, 59ste vergadering Comité van Ministers, over gezamenlijk Nederlands-Vlaams letterenbeleid, Brussel, 13 oktober 2003

Letterenbeleid Nederlandse Taalunie 2004-2007


1. Aanleiding

In 2002 stelde het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie het meerjarenbeleidsplan 2003-2007 vast. Hierin gaf het Comité te kennen dat het in de loop van de meerjarenbeleidsperiode werk wou maken van een verdergaande uitwerking van integratie op het gebied van de letteren. 2003 werd daarbij gezien als een aanloopjaar waarin de plannen geconcretiseerd konden worden. Vanaf 2004 werden op de begroting van de Taalunie extra middelen voor een gemeenschappelijk letterenbeleid voorzien.

2. Achtergronden

Het nieuwe meerjarenbeleidsplan van de Taalunie werd opgebouwd rondom de centrale gedachte: 'De taalgebruiker centraal'. Het middelpunt van de activiteit van de Nederlandse Taalunie is niet de Nederlandse taal of de Nederlandse letteren, het is de burger die aangewezen is op het Nederlands om in de maatschappij te functioneren, om er zich maximaal te ontplooien. Voor de letteren betekent het accent op de taalgebruiker dat de zorg voor de lezer primeert op de zorg voor de literatuur. Activiteiten van de Taalunie dienen op een of andere wijze gericht te zijn op de behoeften van lezers, zij het dat het begrip behoeften hierbij heel ruim opgevat kan worden: de Taalunie wil er graag toe bijdragen dat literatuur en lezen hun rol ter ontwikkeling, ontroering, vermaak, ... van de burger ten volle kunnen spelen. (In wat volgt, wordt deze opsomming van effecten samenvattend ontplooiing genoemd.) Voor de ontwikkeling van een concreet actieplan letteren voor de Taalunie in de komende tijd biedt deze globale doelstelling een prima uitgangspunt. Ze kan makkelijk worden vertaald naar de verschillende deelterreinen van het letterenbeleid (bibliotheekbeleid, productiebeleid, boekenbeleid, leesbevordering), en geeft daar aanleiding tot het selecteren van concrete acties. Bij de vertaling van de globale doelstelling in concrete Taalunie-activiteiten moet natuurlijk steeds rekening worden gehouden met de Nederlands-Vlaamse context waarin de Taalunie opereert. Letterenbeleid behoort tot wat in Taalunieverband artikel 5-materie wordt genoemd. Het betreft hier een terrein waarop Taaluniebeleid volgens het Taalunieverdrag complementair is ten aanzien van het beleid van Nederland en Vlaanderen. Concreet betekent dit dat voor elke activiteit aangegeven moet kunnen worden hoe samenwerking in Taalunieverband een meerwaarde kan genereren. Het heeft geen zin dat beleid gemeenschappelijk vorm te geven als die gemeenschappelijkheid niet op de ene of andere manier leidt tot een kwaliteitsverbetering van de ondersteuning van de taalgebruiker. Overigens is het daarbij niet automatisch zo dat meerwaarde van samenwerking altijd aanleiding moet geven tot beleid dat door de Taalunie wordt uitgevoerd. Vlaanderen heeft zijn letterenbeleid in de afgelopen jaren sterk naar het Nederlandse model uitgebouwd. Als gevolg hiervan beschikken Vlaanderen en Nederland over een aantal parallelle instellingen die gebruik maken van nagenoeg dezelfde instrumenten om zeer vergelijkbare doelstellingen te realiseren. Het ligt voor de hand dat samenwerking hier meerwaarde biedt, maar dat de intensieve betrokkenheid van de Taalunie bij de uitvoering ervan dat niet altijd doet.
Samenvattend kan men met betrekking tot Taalunie-activiteiten op het terrein van lezen en letteren stellen dat
a) ze uit moeten gaan van het perspectief van de taalgebruiker;
b) er sprake moet zijn van aantoonbare meerwaarde van Nederlands-Vlaamse samenwerking;
c) er sprake moet zijn van aantoonbare meerwaarde van de betrokkenheid van de Taalunie.
Naast het stimuleren van een bloeiende boek- en leescultuur vanuit het hierboven geschetste perspectief, rekent de Taalunie het ook tot haar taak om de interactie tussen Nederlanders en Vlamingen op het terrein van de taal en de letteren in de ruimste zin te stimuleren. Literatuur en lezen biedt hiervoor hele goede aanknopingspunten. Bij de keuze van projecten die de Nederlands-Vlaamse interactie op dit terrein stimuleren, verdienen projecten die ook bijdragen aan de hierboven genoemde doelstelling natuurlijk de voorkeur.

3. Invulling

De Taalunie wil de hiervoor geformuleerde globale doelstelling voor het letterenbeleid in de komende jaren prioritair op een drietal terreinen uitwerken. In de loop van de meerjarenbeleidsperiode kan het Comité van Ministers natuurlijk steeds besluiten om van deze prioriteiten af te wijken, bijvoorbeeld om gezamenlijk optreden van de letterenfondsen te bevorderen. Het is in dat geval ook aan het Comité van Ministers om aan te geven welke rol het daarbij het Algemeen Secretariaat wil zien spelen.

3.1 Globale doelstellingen van het letterenbeleid

Om beleid te voeren dat erop is gericht dat literatuur en lezen hun rol ter ontplooiing van de burger ten volle kunnen spelen, is het noodzakelijk zicht te hebben op de wijze waarop literaire activiteit aan die ontplooiing bijdraagt. Met andere woorden, men moet weten wat de werkende bestanddelen van lezen zijn, welke de positieve werking is die van lezen uitgaat en hoe ze tot stand komt. Pas als men dat weet kan men nagaan hoe men die werking kan bevorderen, kan men leesactiviteiten prioriteren ten aanzien van andere bezigheden. In de praktijk van het beleid ten aanzien van lezen en literatuur blijkt echter dat de vraag naar de werkende bestanddelen van lezen en literatuur meestal ontweken wordt. Ofwel wordt eraan voorbijgegaan, ofwel wordt ze in een algemene uitspraak verdronken. Gevolg hiervan is dat het beleid weinig of niet inhoudelijk verankerd is, en dat het moeilijk wordt om te prioriteren of te evalueren. Vanuit de gedachte dat het Taaluniebeleid erop gericht dient te zijn lezen en literatuur hun rol ter ontplooiing van de burger ten volle te laten spelen, is het daarom prioritair om antwoorden op deze vraag te zoeken. Daarbij moet men zich niet de voorstelling maken dat de Taalunie even deze moeilijke vraag, die anderen hebben laten liggen, zal beantwoorden. Wat de Taalunie wel kan doen is deze vraag op de agenda plaatsen, gedachtevorming en -uitwisseling over deze kwestie stimuleren, en zo inzichten, feiten, opinies en attitudes met betrekking tot deze ingewikkelde kwestie op een genuanceerde wijze in het debat een plaats te geven. Een dergelijke prioriteit voldoet ook aan de kenmerken van prioritaire actieterreinen voor de Taalunie die in het vorige punt onder b) en c) werden genoemd. De vraag naar de rol van lezen en literatuur voor de taalgebruiker wordt zowel in het Nederlandse en het Vlaamse beleid omzeild. Beide gebieden hebben er dus baat bij dat gezocht wordt hoe hun beleid beter inhoudelijk verankerd kan worden. Daarbij is de inzet van expertise uit het hele taalgebied (en zelfs daarbuiten) zeker noodzakelijk. De Taalunie heeft heel wat ervaring met het opzetten van activiteiten van deze aard. Verwezen zij naar de referentiekaderteksten die de Taalunie de afgelopen jaren heeft geproduceerd op het gebied van onderwijs Nederlands en geletterdheid, de rol van de Taalunie in het totstandkomen van een Europees samenwerkingsverband dat vragen met betrekking tot taalbeleid in een breder perspectief probeert te plaatsen, de rol van de Taalunie bij recente initiatieven die handelen over de rol van lezen in de moderne maatschappij. Bovendien biedt de Taalunie een kader waarin synergie tussen het letteren- en het onderwijsbeleid makkelijk tot stand kan komen. Voor het bepalen van de rol van lezen bij de ontplooiing van jongeren is die synergie van groot belang.

3.2 Informatie- en mediatiebeleid

Goed beleid ten aanzien van literatuur en lezen moet niet alleen een helder zicht hebben op zijn doelstellingen, het moet ook over een goed beeld beschikken van het veld waarin die doelstellingen gerealiseerd moeten worden. Die behoefte bestaat zowel bij de makers als de uitvoerders van dat beleid. Het is van het grootste belang dat informatie over alle aspecten van het veld beschikbaar is, en dat alle betrokkenen er toegang toe hebben. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat er al heel veel informatie beschikbaar is. Er worden talloze onderzoeken verricht naar de boek- en leescultuur, naar de boekenmarkt, naar literatuur zelf, naar de receptie ervan, er zijn conferenties en studiedagen. Zowel door het boekenvak als door het bibliotheekwerk wordt informatie aangeboden over boeken en hun schrijvers. Er zijn vele websites over boek en lezen met primaire teksten en met allerlei secundaire informatie. Deze informatie wordt op veel verschillende plaatsen ontworpen en ontsloten. Daardoor bestaat de kans dat er lacunes zijn in het aanbod of dat juist overlappingen optreden vanuit het perspectief van bepaalde groepen gebruikers. Vaak worden informatiebronnen ook ontwikkeld vanuit het bestaande aanbod, zonder dat goed is nagedacht over doelgroep en de informatiebehoefte van die groep. Ook kan het zo zijn dat zinvolle informatie en inzichten bepaalde actoren niet bereiken. Het blijkt dan ook dat verschillende actoren in het veld behoefte te hebben aan toegankelijke informatie en aan inzichten.
Een informatie- en mediatiebeleid is erop gericht om lacunes in die informatievoorziening te signaleren en te zorgen voor het opvullen daarvan op een manier die aansluit bij de informatiebehoefte van de gebruikers. Het kan daarbij gaan a) het verzamelen van nieuwe informatie, b) het beter benutten of beter toegankelijk maken van bestaande informatie (bijvoorbeeld door die bijeen te brengen, of te vertalen naar de vragen van de gebruiker of verschillende inzichten met elkaar te confronteren) of c) het stimuleren dat bepaalde informatie door specifieke doelgroepen gebruikt wordt. b) en c) kunnen worden omschreven als het mediëren tussen informatieaanbod en gebruikers. Een gezamenlijk Nederlands-Vlaams beleid in het kader van de Taalunie ligt hier voor de hand. Het gaat immers in Nederland en Vlaanderen vaak om dezelfde informatiebehoefte en dezelfde informatie. Daarbij komt dat gezamenlijke Nederlands-Vlaamse informatie kan bijdragen aan de integratie die het Taalunieverdrag voorstaat en opgezet kan worden met gezamenlijke expertise. De Taalunie kan door zijn uitgebreide netwerk in Nederland en Vlaanderen goed nagaan waar lacunes bestaan in de informatievoorziening. Een gezamenlijk informatiebeleid betekent niet dat de Taalunie al deze activiteiten zelf uitvoert en sluit ook zeker geen activiteiten van anderen uit. De Taalunie vervult hierin een makel- en schakelfunctie.

3.3 Stimuleren van Nederlands-Vlaamse interactie

Een steeds weerkerende discussie in het letterenveld betreft de mate waarin Vlaanderen en Nederland één dan wel twee letterenvelden vormen. Er zijn duidelijke indicaties dat het veld in tal van opzichten nog moeilijk als gescheiden gezien kan worden. Aan de andere kant zijn er ook duidelijke verschillen waarneembaar tussen het literaire leven in Nederland en dat in Vlaanderen. Vanuit het perspectief van informatie- en mediatiebeleid is het wellicht interessant om de gelijkenissen en verschillen beter in kaart te brengen. Indien Nederland en Vlaanderen in toenemende mate aan kruisbestuiving willen doen, is het in elk geval noodzakelijk dat degenen die hierbij actief zijn, de situatie over de grens goed kennen. Vanuit het perspectief van de Nederlands-Vlaamse integratie is de discussie over één dan wel twee letterenvelden veel minder relevant. De opdracht van de Taalunie vanuit dit perspectief houdt immers in dat ernaar gestreefd wordt om de grens tussen beide gebieden minder een rol te laten spelen. Dit betekent natuurlijk niet dat de Taalunie eraan wil werken dat alle verscheidenheid tussen Nederland en Vlaanderen op letterengebied op termijn verdwijnt. Integendeel, diversiteit wordt zowel in Nederland als in Vlaanderen in vele opzichten als een belangrijke en nastrevenswaardige kwaliteit van het literaire veld gezien. Activiteiten van de Taalunie met integratieve doelstellingen moeten er daarom op gericht zijn dat iedereen in het taalgebied dat hele diverse literaire veld als zijn veld ervaart, en veel minder de opsplitsing maakt in mijn diverse veld en hun diverse veld. Het in kracht doen afnemen van de Nederlands-Vlaamse grens als literaire gebiedsgrens bereikt men niet door op beleidsniveau initiatieven parallel op te zetten. Een grens geeft immers uitdrukking aan en zorgt voor de afwezigheid van gemeenschappelijke ervaringen. Als Nederlanders en Vlamingen het literaire veld niet als een gemeenschappelijk terrein ervaren, dan komt dat omdat ze elkaar op dit terrein te weinig ontmoeten en te weinig over elkaar weten. Als de Taalunie hierin verandering wil brengen, dan zal ze die ontmoetingen moeten organiseren, stimuleren, faciliteren.

4. Activiteiten 2004-2007

De hiervoor beschreven invulling van het beleid voor literatuur en lezen leidt tot drie prioritaire actielijnen voor een Taaluniebeleid voor literatuur en lezen voor de komende jaren:
a) Inhoudelijke verankering van een beleid voor lezen en literatuur dat de lezer als uitgangspunt neemt
b) Activiteiten op het terrein van informatie en mediatie
c) Activiteiten die bijdragen aan de Nederlands-Vlaamse uitwisseling rond boeken en lezen

4.1 Inhoudelijke verankering van het beleid voor lezen en literatuur

De Taalunie wil er toe bijdragen dat literatuur en lezen hun rol ter ontwikkeling, ontroering, vermaak, ..., van de burger ten volle kunnen spelen. Hierbij wil de Taalunie de twee inhoudelijke vragen centraal stellen. Ten eerste de vraag wat lezen bij de lezer teweeg kan brengen, en hoe die effecten tot stand komen. Ten tweede de vraag wat de positie is van lezen tussen andere media en cultuurdragers die wellicht ook een rol vervullen in de ontwikkeling, ontroering, vermaak... van mensen. Lezen wordt aan de ene kant in verband gebracht met allerlei maatschappelijk wenselijke doelen zoals participeren in de informatiemaatschappij, deelname aan democratische gedachtevorming en individuele behoeften en kwaliteiten zoals bijvoorbeeld leesvaardigheid, inlevingsvermogen, ontspanning en zingeving. Dat lezen daaraan bijdraagt, is intuïtief heel aannemelijk. Wij kennen de geschiedenis, de wetenschappen, alles wat in het verleden bedacht en gedacht is bijna alleen maar via schriftelijke bronnen; Wie leest moet er zelf beelden bij vormen, wat zou kunnen leiden tot een grotere fantasie; Wie leest doet kennis op en oriënteert zich op verschillende meningen, waardoor hij zich een meer afgewogen mening kan vormen etc. etc. Critici wijzen er echter op dat de beschavende kracht van cultuur historisch bepaald niet is aangetoond, dat zelfs de relatie tussen leesgedrag en leesvaardigheid niet bewezen kan worden en dat de ontplooiende functies in elk geval niet exclusief met dit ene medium verbonden zijn. Het verband tussen 'lezen' en de doelen die ermee worden nagestreefd is complex. Wellicht is er meer nodig dan lezen alleen, bijvoorbeeld een bepaalde manier van lezen of het lezen van een bepaald soort teksten? Lezen gericht op ontspanning of vermaak veronderstelt waarschijnlijk een andere manier van lezen dan het lezen gericht op meningsvorming in het politieke debat en dat veronderstelt weer bepaalde manieren van aanbieden van lezen in onderwijs, promotie en leesbevordering. Over het algemeen gaan onderzoek en beschouwingen over ofwel het eerste niveau (waarom is lezen goed?) ofwel over de laatste niveaus (hoe kun je het lezen bevorderen?). In september 2003 wordt door de Universiteit Gent een internationale conferentie georganiseerd over geletterdheid/geletterdheden waar dergelijke vragen over lezen in de multimediale maatschappij op een wetenschappelijk niveau aan de orde komen. De Taalunie heeft in het kader van deze conferentie een opdracht uitgezet om een referentiekader te schrijven over de functies van lezen waarin beide niveaus en alle daartussen liggende vragen in samenhang worden behandeld in de context van een multimediale samenleving. Wij stellen voor om in 2004 en 2005 langs deze lijn verder te werken. Het referentiekader kan gebruikt worden als startpunt voor de verdere verkenning van de functies van lezen en voor de stimulering van het debat hierover. Vanaf 2006 kan de Taalunie zich dan vooral richten op de vertaling van de opgedane inzichten naar de verschillende terreinen van het beleid voor literatuur en lezen. Daarbij wordt ook de samenhang met lees- en literatuuronderwijs bekeken.

Stimuleren van visieontwikkeling op literatuur en lezen in de multimediale samenleving
De audiovisuele en digitale media worden wel gezien als een bedreiging omdat daarmee allerlei waarden die samenhangen met de geletterde cultuur vervult verloren lijken te gaan. Als gevolg van de introductie van nieuwe media en cultuurdragers vindt inderdaad ook een selectie en verfijning plaats van de functies van die verschillende media omdat bijvoorbeeld in behoeften met die andere media op een doeltreffende manier kan worden voorzien. Het is daarom van belang om antwoorden te zoeken op de vraag naar de positie van lezen en de rollen die het vervult ten opzichte van andere media. Hiermee samen hangt ook de vraag of de multimedia zorgen voor een revolutie in de wijze waarop kennis wordt geconstrueerd en overgedragen, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de revolutie als gevolg van de introductie van het schrift of de boekdrukkunst ten opzichte van de orale cultuur. Voor de positioneren van het beleid voor lezen en literatuur zijn de visies die hier naar voren worden gebracht zeer van belang. De grote maatschappelijke implicaties van deze ontwikkelingen vragen om een veel bredere gedachtevorming dan alleen binnen de kleine groep van mensen die professioneel bij de leescultuur betrokken zijn. De Taalunie wil daarom in 2004 en 2005 activiteiten uitzetten die gericht zijn op het maatschappelijk debat over lezen en geletterdheid.
- Een publieksuitgave van de tijdens de conferentie naar voren gebracht visies op geletterdheid in de TaalinZicht reeks. Een artikel en discussie in Taalschrift Online.
- Een reeks lezingen en debatten over geletterdheid voor een algemeen publiek.
- Stimuleren van media-aandacht voor het thema.
Deze activiteiten zouden kunnen uitmonden in een grote publieksactiviteit in het kader van de afsluiting van Antwerpen wereldboekenstad in het jaar 2005. De inzichten kunnen in het vervolg daarop verder worden vertaald naar doelstellingen voor de verschillende beleidsterreinen.

Referentiekader doelen voor leesbevordering
Het gaat hier om een inventarisatie van doelen die kunnen worden nagestreefd met leesbevordering voor mensen van verschillende leeftijds- en ontwikkelingsniveaus, uitgaande van de vraag in welke behoefte lezen voor lezers voorziet, en de vraag om welke wijze van aanbieden van lezen in leermiddelen en leesbevorderingsactiviteiten deze doelen vragen. Op de middellange termijn kan het referentiekader ook dienen als beschrijvingsmodel waarmee bestaande leesbevorderingsinstrumenten en leermiddelen kunnen worden getypeerd en lacunes in het instrumentarium worden opgespoord. Die typering kan bovendien als basis worden gebruikt voor informatievoorziening aan docenten en leesbevorderaars over instrumenten en leermiddelen. In overleg met de Vlaamse en Nederlandse Stichtingen Lezen en de Canon Cultuurcel van het Vlaamse Departement Onderwijs werd besloten om al in 2004 te starten met de beschrijving van doelstellingen voor het lezen op school. Belangrijk daarbij is dat er veel aandacht uitgaat naar het doorlopende karakter van de leerlijnen die van een dergelijke beschrijving afgeleid kunnen worden. In een volgend stadium kan de doelenbeschrijving gebruikt worden als onderlegger bij het plannen van activiteiten naar leraren, materiaalmakers en onderwijsbeleidsmensen.

Referentiekader doelstellingen boekenbeleid
Het beleid voor boek en lezen is onder meer gericht op de brede beschikbaarheid van een kwalitatief, pluriform boekenaanbod. Deze begrippen laten nogal wat ruimte voor verschillende invullingen en interpretaties. Hierdoor is het moeilijk om na te gaan of er veranderingen optreden in het literaire landschap en of de doelstellingen van het beleid ook worden bereikt. Een beleid dat uitgaat van de behoeften van de lezer, moet eraan bijdragen dat er voor lezers een boekenaanbod beschikbaar is waarmee zij in hun leesbehoeften kunnen voorzien. De Taalunie wil over dit onderwerp een referentiekader doen schrijven, waarin de doelstellingen van het boekenbeleid vanuit deze invalshoek worden geconcretiseerd.

4.2 Informatie- en mediatiebeleid

Het doel van deze actielijn is ervoor te zorgen dat alle actoren in het veld van lezen kunnen beschikken over de juiste informatie om hun rol in de leescultuur te vervullen. In 2004 zijn acties van de Taalunie er vooral op gericht om inzicht te krijgen in de informatiebehoeften en om meer inzicht te krijgen in leemtes in het informatieaanbod en in het gebruik ervan. De eerste stap in de actielijn informatie- en mediatiebeleid is daarom nagaan waarover voldoende informatie beschikbaar is en waar lacunes in de informatievoorziening bestaan. Vaak wordt er te gemakkelijk vanuit gegaan dat men de informatiebehoefte van bepaalde groepen wel kent of dat duidelijk is welke informatie van belang is in het licht van de doelstellingen van het beleid. Dit is echter lang niet altijd het geval. Het vraagt om zorgvuldige beoordeling van zowel de benodigde informatie in relatie tot de beleidsdoelen als van het type informatie die de betreffende actoren nodig zouden hebben. Overigens kunnen de onder 4.1 beschreven activiteiten ook worden opgevat als onderdelen van een informatie- en mediabeleid. Ze zijn immers gericht op het bijeenbrengen en ontsluiten van informatie en inzichten en het stimuleren van het gebruik ervan.

Beschrijving informatieaanbod
Om beter inzicht te krijgen in het bestaande informatieaanbod in het veld van boek, literatuur en lezen willen wij in 2004 een overzicht laten maken van het informatieaanbod voor verschillende actoren in het veld van boek, literatuur en lezen en van de manier waarop die informatie door verschillende groepen wordt gebruikt. Zo kan worden nagegaan of er lacunes zijn in het informatie-aanbod, of informatie op de juiste manier wordt ontsloten en of actoren relevante informatie ook gebruiken.

Platform digitale informatie letteren
Via het internet is inmiddels zeer veel informatie over literatuur en lezen op een gebruiksvriendelijke manier ontsloten. Websites als het literatuurplein, het schrijversnet de DBNL, de boekenbank, leesbevordering.be en verzamelsites bieden schatten aan nuttige informatie. En dat is nog maar een kleine greep uit de veelheid van initiatieven. Tot nog toe zijn die initiatieven doorgaans onafhankelijk van elkaar ontwikkeld. Van onderlinge afstemming is weinig sprake. En dat is jammer, een betere onderlinge afstemming kan het aanbod verrijken en beter toegankelijk maken voor de gebruikers en dubbele initiatieven voorkomen. Door een goed inzicht in het aanbod kunnen leemtes worden getraceerd en kan er een beleid worden ontwikkeld dat erop gericht is daarin te voorzien. Daar komt bij dat naast deze door deskundige instellingen ontwikkelde websites, sprake is van allerlei andere initiatieven waarvan de kwaliteit nogal wisselend is. Door een gezamenlijke aanpak en onderlinge verwijzingen zou voor de gebruiker duidelijker kunnen worden wat kwalitatief goede bronnen zijn. De Taalunie zal een nieuw platform Digitale Informatie Letteren oprichten dat fungeert als denktank en klankbord voor activiteiten ter verbetering en afstemming van digitale informatie.

Vraagbaak
Aan de leden van het Platform digitale informatie letteren wil de Taalunie het plan voorleggen om gezamenlijk een vraagbaak te openen waar iedereen met vragen over boek, lezen en literatuur terecht kan. Naar het model van wat de Taalunie nu doet met taaladvies kunnen met alle betrokkenen in dit kader afspraken gemaakt worden over de wijze waarop de inkomende vragen behandeld worden en wie daarbij welke rol speelt. Een dergelijk initiatief zorgt er niet alleen voor dat er een gedegen Nederlands-Vlaams instrument voor informatieverstrekking komt, het stelt de informatieverstrekkers ook in staat om een beter beeld te krijgen van wat relevante vragen zijn. Analyse van het type vragen kan dan ook in een verder stadium leiden tot de ontwikkeling van informatie-instrumenten.
Vooruitlopend op de uitkomsten van de verkenning kan in 2004 al begonnen worden met de ontwikkeling van enkele informatievoorzieningen voor lezen en literatuur.

Digitale ontsluiting literair erfgoed
De nieuwe media hebben nieuwe mogelijkheden geschapen voor het bewaren en presenteren van erfgoed dat nu opgeslagen ligt in bibliotheken, literaire musea en archieven. Het gaat daarbij niet alleen om primaire teksten, maar bijvoorbeeld ook om manuscripten, brieven, foto’s en ander historisch letterkundig materiaal. Men zou zich kunnen voorstellen dat op termijn wordt toegewerkt naar een gemeenschappelijke digitale ruimte met catalogi en gedigitaliseerd materiaal, waardoor dit voor veel meer verschillende groepen gebruikers toegankelijker en beter bereikbaar wordt. Wat de toegankelijkheid via het internet betreft van primaire teksten en daarbijhorende informatie en documentatie heeft de Taalunie in het nieuwe meerjarenbeleidsplan al een opdracht gekregen (Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren). Daarnaast wil de Taalunie deze ontwikkeling stimuleren door initiatieven van anderen te ondersteunen. Natuurlijk zal steeds gekeken worden in welke mate die andere activiteiten met andere Taalunieprojecten kunnen sporen. In 2003 is in dat kader bijvoorbeeld een begin gemaakt met de digitale ontsluiting van de bibliografie van literaire tijdschriften via het Taalunieversum.

Ontsluiting boekenaanbod: referentiekader over de wijze waarop lezers het boekenaanbod categoriseren
In verschillende geledingen wordt de vraag opgeworpen of de wijze waarop informatie over boeken wordt gegeven, voor lezers voldoende aanknopingspunten biedt om een keuze te maken uit het aanbod. Is bijvoorbeeld de bestaande wijze van categorisering van kinderboeken adequaat en niet te breed (detective, informatief, etc.) of te smal ('thematisch', bijvoorbeeld 'konijnen' 'tweede wereldoorlog'). In welke categorieën delen lezers het boekenaanbod voor zichzelf in? De Taalunie zal de inzichten van verschillende deskundigen bijeenbrengen in een referentiekader. Het gaat om expertise van wetenschappelijk onderzoekers, het boekenvak, de bibliotheekwereld, maar ook recente onderzoeken naar informatiegebruik bij het kiezen van boeken door de Nederlandse en de Vlaamse Stichting Lezen. Daarnaast wordt initiatief genomen om de digitale boekenzoekers die door de Nederlandse en Vlaamse Stichting Lezen worden ontwikkeld op elkaar af te stemmen.

Onderzoeksplan beleidsvoorbereidend onderzoek leesbevordering
In het laatste decennium is zeer veel onderzoek uitgevoerd naar leesgedrag, leesontwikkeling en literatuuronderwijs. De resultaten daarvan kunnen van belang zijn voor de verdere vormgeving van het leesbevorderingsbeleid. Vaak zijn de resultaten van deze onderzoeken echter niet op dat niveau ontsloten. De Taalunie wil in overleg met de Stichtingen Lezen een onderzoeksplan opstellen met de bedoeling bestaand onderzoek vanuit beleidsvragen te ontsluiten. Het project bestaat uit twee fasen: in eerste instantie wordt een inventarisatie van beleidsvragen gemaakt. De tweede fase behelst het ontsluiten van bestaand onderzoek dat een antwoord kan geven op die vragen en de inventarisatie van informatielacunes.

4.3 Activiteiten gericht op het stimuleren van de Nederlands-Vlaamse interactie rond literatuur en lezen

Het stimuleren van een meer gemeenschappelijke beleving van de leescultuur kan worden bereikt door twee typen activiteiten die wel met elkaar samenhangen:
- het stimuleren van gemeenschappelijke ervaringen, het aanmoedigen van ontmoetingen.
- het vergroten van de kennis over en weer van het literaire leven.
Dat laatste heeft ook een duidelijke informatieve component. Indien informatievoorzieningen gezamenlijk worden opgezet draagt dit immers ook weer bij aan de gemeenschappelijke beleving van literatuur en lezen. Een gezamenlijk informatie- en mediatiebeleid voor lezen draagt daarom ook bij aan de gezamenlijke leescultuur.
Wat de fasering betreft tijdens de meerjarenbeleidsperiode gaat het hier om constante aandachtspunten, die doorheen de hele periode opgezet worden. Wel kunnen enkele projecten in het begin van de periode enigszins een experimenteel karakter hebben. Zo hebben ervaringen met de Jonge Gouden Uil de Taalunie geleerd dat er verder gezocht moet worden naar de ideale formule om interactie tussen Nederlandse en Vlaamse jongeren over literatuur mogelijk te maken. Het uitwerken van activiteiten op dit terrein vereist natuurlijk ook een goed zicht op gelijkenissen en verschillen tussen het Nederlandse en het Vlaamse literaire veld. Daarbij zijn niet alleen de objectief waarneembare verhoudingen van belang, maar ook de meningen en de attitudes die hieromtrent bestaan. Het is dan ook van belang dat in de eerste jaren van de meerjarenbeleidsperiode aandacht besteed wordt aan het in kaart brengen van die verhoudingen.

In kaart brengen informatie leesaanbod in Nederlands-Vlaams perspectief
De grens zorgt er soms voor dat Nederlanders en Vlamingen geen toegang hebben tot hetzelfde leesaanbod en informatie over dat aanbod. Actoren in het Vlaamse boekenvak wijzen er bijvoorbeeld op dat hun boeken vaak niet verkrijgbaar zijn in de Nederlandse boekhandels. Ook is niet bekend in hoeverre recensies in Nederlandse en Vlaamse kranten en collecties van bibliotheken een afspiegeling vormen van het aanbod in het taalgebied. Een meer gemeenschappelijke leescultuur betekent dan wel niet dat Nederlanders en Vlamingen dezelfde boeken zouden moeten lezen, maar wel dat zij in elk geval de kans moeten hebben om met het hele aanbod in aanraking te komen. Om beter zicht te krijgen op de mate waarin aan deze voorwaarde voor een gemeenschappelijke leescultuur is voldaan wil de Taalunie in 2004 eerder verzamelde gegevens laten actualiseren.

Ontmoeting tussen lezers
Het leesbevorderingsproject De Jonge Gouden Uil en de opvolger daarvan, De Inktaap, is er mede op gericht om de uitwisseling rond boek en lezen tussen Nederlandse en Vlaamse scholieren te bevorderen. Bij de initiatiefnemers van het project is het afgelopen jaar de vraag gerezen of het project in zijn huidige vorm wel de juiste formule is om de ermee beoogde leesbevorderings- en interactiedoelstellingen te realiseren. Door de Taalunie wordt nu samen met de andere initiatiefnemers nagedacht over de formule voor een activiteit die gericht is op uitwisseling tussen Nederlandse en Vlaamse lezers.

Uitwisseling tussen schrijvers
Bij Nederlandse en Vlaamse schrijvers bestaat behoefte aan ontmoeting en uitwisseling. Tijdens de Salon du Livre in Parijs werd opgemerkt dat het toch eigenlijk vreemd is dat Nederlandse en Vlaamse auteurs elkaar soms vooral in het buitenland tegenkomen. In 2004 wil de Taalunie een ontmoetingsdag voor schrijvers uit het taalgebied organiseren waar zij met elkaar van gedachten kunnen wisselen over thema's in Nederlands-Vlaams perspectief.


© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties