Mevr. D. Verstraeten
Directeur-generaal
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Buitenlands Beleid binnen Europa
datum: 5 juli 1999
onderwerp: Charter Regionale en Minderheidstalen Raad van Europa, erkenning van het Limburgs
Geachte mevrouw Verstraeten,
Ik dank u voor uw bovengenoemde brief d.d. 21 juni 1999, die ik met aandacht heb gelezen. In deze brief vraagt u mij als algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie advies inzake de ondertekening door België van het Charter voor Regionale en Minderheidstalen van de Raad van Europa en met name inzake de erkenning van het Limburgs als regionale taal in de zin van het bovengenoemde Charter. Terecht verwijst u naar de ondertekening door het Koninkrijk der Nederlanden, waarbij zowel het Fries als het Limburgs als regionale talen zijn erkend, zij het met een verschillende status.
Uitgangspunt voor het beantwoorden van de vraag of het Limburgs al dan niet in aanmerking komt voor de bovenbedoelde erkenning is mijns inziens de tekst van het Verdrag zelf, met name de omschrijving van het begrip regionale of minderheidstaal daarbinnen. Artikel 1 van het Charter definieert het begrip als volgt:
"regional or minority languages" means languages that are:
i. traditionally used within a given territory of a State by nationals of that State who form a group numerically smaller than the rest of the State's population; and
ii. different form the official language(s) of that State;
it does not include either dialects of the official language(s) of the State or the languages of migrants.
De bovenstaande bepaling brengt mij tot een negatief advies inzake het Limburgs, aangezien in alle wetenschappelijke literatuur, zowel diachrone als synchrone, het Limburgs altijd beschouwd is als een dialect van het Nederlands en niet als een afzonderlijke taal. Hetzelfde geldt trouwens voor andere varianten als het West-Vlaams, het Gents, het Zeeuws of het Achterhoeks. Hoewel de grens tussen dialecten en afzonderlijke talen niet altijd gemakkelijk te trekken valt en afhankelijk is van zowel taalkundige als taalpolitieke criteria zoals historische verwantschap met de cultuurtaal, perceptie door taalgebruikers van de status van de variant als respectievelijk dialect of zelfstandige taal, taalpolitieke wilsdaad (bijvoorbeeld inzake de erkenning van het Letzeburgs als afzonderlijke taal), lijkt het mij redelijk aan te nemen dat het Limburgs zowel door de taalkunde als door officiële instanties als door de sprekers van het Limburgs zelf als een dialect en niet als een taal wordt beschouwd.
Ik maak van de gelegenheid gebruik erop te wijzen dat erkenning van de Limburgse en andere dialecten van het Nederlands als afzonderlijke streektaal in het Charter gevolgen kan hebben voor de status en het gebruik van het Nederlands, aangezien sprekers van erkende streektalen niet beschouwd kunnen worden als moedertaalsprekers van het Nederlands.
Het feit dat Nederland het Limburgs naast het Fries als minderheidstaal heeft erkend, is mijns inziens een ongelukkige keuze geweest; omdat die erkenning indruist tegen de omschrijving van het begrip regionale of minderheidstaal uit artikel 1 van het Charter. Anders dan het Fries, dat zowel op taalhistorische als op taalpolitieke gronden aanspraak maakt op de status van afzonderlijke taal, is het Limburgs ook in Nederland steeds als een dialect beschouwd. De erkenning als streektaal houdt daarom de facto een discriminatie in ten opzichte van de andere dialecten zoals bijvoorbeeld het Zeeuws en het Achterhoeks. Als België ten aanzien van de Limburgse dialecten een andere houding aanneemt dan Nederland, wat ik adviseer, dan ontstaat er de facto een ongelijkheid aan weerszijden van de rijksgrens. Dit lijkt mij een belangrijk argument om aan de erkenning van talen binnen het Charter en de criteria die daarvoor kunnen c.q. moeten gelden, van gedachten te wisselen binnen de verschillende verdragsorganen van de Taalunie, en met name binnen het Comité van Ministers.
Alle elementen overziend kom ik tot de vaststelling dat het Charter van de Raad van Europa bedoeld is als middel ter bescherming van talen zoals het Fries in Nederland, het Bretons en Corsicaans in Frankrijk, het Albanees of Duits in Italië en dergelijke meer. Dit betekent voor België als geheel - althans wat de autochtone taalelementen betreft - niets anders dan dat slechts de drie officiële talen Nederlands, Frans en Duits aanspraak kunnen maken op het predicaat "taal" in de zin van het Charter en alle andere varianten de status van dialect hebben. Dit oordeel laat overigens onverlet dat ook dialecten en met name dialectsprekers rechten hebben en het beleid ook te dien aanzien kan kiezen voor tolerantie, bescherming en actieve ondersteuning. Het voorliggende advies houdt derhalve geen depreciatie in voor de Limburgs of andere dialecten die ons taalgebied rijk is.
Ik vertrouw erop dat dit advies aan uw verwachtingen beantwoordt. Vanzelfsprekend ben ik steeds bereid tot nadere informatie en overleg over deze aangelegenheid. Met belangstelling kijk ik uit naar uw standpunt in deze materie en naar het uiteindelijk gevolg dat aan deze procedure zal worden gegeven.
Hoogachtend,
de algemeen secretaris,
Koen Jaspaert
Adviezen van de Raad
- Advies van de Raad over Prijs der Nederlandse Letteren
- Advies van de Raad over onderwijs Nederlands
- Advies inzake Nederlands-Vlaams Letterenbeleid
- Advies inzake taalvariatie
- Advies inzake verticale prijsbinding voor boeken in Nederland en Vlaanderen
- Advies inzake de erkenning van het Zeeuws als regionale taal
- Advies inzake taalbeleid in Europees perspectief
- Advies inzake een gezamenlijk Nederlands-Vlaams leesbevorderingsbeleid
- Advies inzake 'sociaal taalbeleid'
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
