taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » over taalunie »

Extra vergadering - Breda, 14 januari 2002

Besluitenlijst extra vergadering van het Comité van Ministers, Breda, 14 januari 2002


Besluit van het Comité van Ministers over het Raadsadvies 'Naar een samenhangend taalbeleid voor het Nederlands vanuit Europees perspectief'

Het Comité van Ministers heeft kennisgenomen van het adviesrapport "Naar een samenhangend taalbeleid voor het Nederlands vanuit Europees perspectief" dat is opgesteld door een Werkgroep in opdracht van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren en waarvan de Aanbevelingen integraal door de Raad zijn overgenomen.

Het Comité van Ministers bedankt de Raad voor zijn omvangrijke werk. Het is van oordeel dat het uitdiepen van grotere beleidsdomeinen in hun samenhang tot meerwaarde kan leiden.

Het Comité van Ministers is het voor een belangrijk deel eens met de strekking van het rapport en de gedane aanbevelingen. In het voorliggende besluit geeft het Comité van Ministers de grote lijnen aan van het beleid dat de Nederlandse Taalunie naar aanleiding van de aanbevelingen gedurende de komende beleidsperiode wil gaan voeren. Gezien de omvang en diepgang van het rapport is het volgens het Comité van Ministers niet mogelijk en niet opportuun om in deze fase gedetailleerd in te gaan op de praktische uitwerking in actielijnen en projecten en daarbij alle noodzakelijke accenten en nuanceringen aan te brengen. De onderschreven aanbevelingen zullen moeten worden geconcretiseerd in komende beleidsdocumenten, namelijk het Meerjarenbeleidsplan en de daarop gebaseerde jaarlijkse actieplannen. Het rapport zal daarbij steeds als referentiekader dienen.

Een aantal aanbevelingen wordt niet overgenomen omdat het Comité van Ministers van oordeel is dat uitvoering ervan niet op de weg van de Nederlandse Taalunie ligt of niet rechtstreeks bijdraagt tot de verwezenlijking en uitvoering van de Verdragsdoelstellingen van de Taalunie. Dat geldt voor de onderstaande aanbevelingen:

Niet-overname van de bovengenoemde aanbevelingen betekent overigens niet dat het Comité van Ministers het belang van deze aanbevelingen niet onderschrijft en evenmin dat het Nederlands-Vlaamse samenwerking op die terreinen afwijst. Alleen is het van oordeel dat de aanbevelingen de opdracht en doelstellingen van de Taalunie te buiten gaan en de samenwerking op andere wijze gestalte dient te krijgen.

Ten aanzien van de aanbevelingen 2, 4 en 18 constateert het Comité van Ministers dat er niet alleen standaard Nederlands wordt gesproken binnen het taalgebied. Het Comité van Ministers stelt vast dat over mogelijk taalvariatiebeleid nadere gedachtevorming noodzakelijk is, bijvoorbeeld als onderdeel van het Sociaal Taalbeleid in het meerjarig beleidsplan. De Raad wordt gevraagd hier nader advies over uit te brengen. Eventuele ruimere aandacht voor taalvariatie in het onderwijs mag in geen geval leiden tot verzwaring van het curriculum.

Ten aanzien van aanbeveling 12 moet worden opgemerkt dat de bedoelde acties deel uitmaken van de doelstellingen en werkzaamheden van de Nederlandse Stichting NOB. Recent is ook door Vlaanderen samenwerking met de stichting gezocht en hebben de Stichting en de Taalunie overlegd over samenwerking op het gebied van onderwijs Nederlands. De Nederlandse Taalunie is op die wijze indirect bij het geheel betrokken.

Voor een aantal belangrijke aanbevelingen is het Comité van Ministers van oordeel dat beleidsacties slechts effectief kunnen zijn als zij voorwerp zijn van gemeenschappelijke actie door verschillende Europese landen en taalgebieden. Het betreft:

Het Europees Overlegorgaan van taalbeleidsinstanties, waaraan het Algemeen Secretariaat namens de Nederlandse Taalunie deelneemt, is volgens het Comité van Ministers het geschikte orgaan voor het initiëren van die samenwerking. Het Algemeen Secretariaat zal het komende jaar verifiëren of de genoemde domeinen voorwerp van Europese samenwerking kunnen zijn. Als dat het geval blijkt te zijn, dan zal het Comité van Ministers zich te zijner tijd nader beraden over de precieze positie die de Nederlandse Taalunie in die materies kan en moet innemen. Het Rapport van de Raad zal daarbij als referentiekader gelden.
Mocht uit de bovenbedoelde internationale contacten blijken dat er onvoldoende bereidheid tot samenwerking op de genoemde terreinen is, dan zal de uitvoering van de aanbevelingen door het Comité van Ministers worden heroverwogen.

Een aantal aanbevelingen is reeds binnen de huidige beleidslijnen in uitvoering of gepland. De uitvoering zal waar nodig worden beoordeeld zodat elementen uit de betreffende aanbevelingen nader kunnen worden geaccentueerd. De onderstaande aanbevelingen behoren tot deze categorie:

De hieronder genoemde aanbevelingen zullen in verschillende mate van prioritering gestalte krijgen in het toekomstig beleid, onder andere binnen het Meerjarenbeleidsplan 2003-2007.

Ten aanzien van de positie van het Nederlands in het tertiair onderwijs geldt dat conform de Nederlandse en Vlaamse wetgeving in bepaalde gevallen kan worden afgeweken van het Nederlands als instructietaal. Het Algemeen Secretariaat zal de ontwikkelingen inzake het gebruik van het Nederlands als instructietaal in het tertiair onderwijs in de komende jaren volgen.

Ten aanzien van de aanbevelingen 10 en 11 geldt dat zij bekeken zullen worden in het kader van de definiëring van wat door de Raad wordt omschreven als diligent, flankerend beleid. Overigens geldt voor die aanbevelingen dat hun uitvoering voorwerp is van gezamenlijke actie door verschillende Europese landen en taalgebieden.
Zoals gezegd bevat het voorliggend besluit de grote lijnen van het beleid dat de Nederlandse Taalunie naar aanleiding van de aanbevelingen wil gaan voeren. Uitvoering van deze krachtlijnen past in het Meerjarenbeleidsplan en zal in dat document, en vervolgens op projectniveau in de jaarlijkse actieplannen, concrete gestalte krijgen.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties