taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » over taalunie »

Fabels toespraak

Fabel 1

De eekhoorn zat aan zijn tafel, likte aan zijn pen, dacht na, fronste zijn wenkbrauwen en schreef:

Geachte secretarisvogel,
Ik ben de eekhoorn en woon in het bos. Ik houd van brieven schrijven, maar niemand schrijft mij ooit terug. Nu heb ik zo maar een vermoeden dat u niets anders doet dan terugschrijven. Zoudt u mij ook eens willen terugschrijven?
Hoogachtend,
Eekhoorn.

Hij vouwde de brief op en wierp hem in de wind, en de wind blies de brief over de zee naar de steppe waar de secretarisvogel woonde, die dag in dag uit brieven naar de uithoeken van de wereld schreef. De volgende dag al kreeg de eekhoorn antwoord.

Geachte eekhoorn,
Ja.
Hoogachtend,
Secretarisvogel.

Vol trots liet de eekhoorn de brief aan de mier zien. Het was de eerste brief die hij ooit had ontvangen. De mier las de brief en was niet erg onder de indruk van de woorden van de secretarisvogel.
'Dat had hij toch ook wel kunnen zéggen? Dat hoef je toch niet te schrijven?' zei hij.
'Hoe kan hij dat nou zeggen?' zei de eekhoorn. 'Hij woont over de zee!'
De eekhoorn kreeg tranen in zijn ogen. Daar stond hij nu met zijn prachtige brief. De eekhoorn las de brief steeds maar weer aan zichzelf voor, legde hem 's nachts naast zijn bed en hing hem overdag aan de binnenkant van zijn deur. Hij vond het woord ja het mooiste woord en de mooiste zin die hij kende. Drie dagen later ontving hij een nieuwe brief.

Geachte eekhoorn,
Ik heb al lang niets meer van u gehoord. Er is toch niets ernstigs met u? Ik hoop spoedig iets naders van u te ontvangen.
Met de allervriendelijkste groeten,
Secretarisvogel.


Fabel 2

Op een ochtend schreef de eekhoorn een brief aan de mier.

Beste mier,
Ik wil je iets zeggen, maar ik denk dat ik het beter kan schrijven.
Daarom schrijf ik je.
Maar misschien kan ik het je toch beter zeggen.
Eekhoorn

De wind blies de brief naar de mier. Het was een mooie dag en niet lang daarna stapte de mier de kamer van de eekhoorn in.

'Hallo eekhoorn,' zei hij.
'Hallo mier,' zei de eekhoorn en wreef in zijn handen.
Even later aten zij honing, versuikerde beukenoten en zoet wilgehout, en hadden ze het over dingen die de mier wist en die de eekhoorn nog niet wist of vergeten was. In de verte zong de lijster. De zon scheen door het open raam.
Ten slotte schraapte de mier zijn keel en vroeg: 'Wat wil je mij eigenlijk zeggen?'
De eekhoorn dacht diep na, keek naar de vloer en naar het plafond, zuchtte diep en zei: 'Ik denk dat ik je dat beter kan schrijven.'
'Dat is goed,' zei de mier.
Die avond schreef de eekhoorn een nieuwe brief aan de mier. Hij schreef dat hij uiteindelijk toch beter kon zeggen wat hij wilde schrijven, maar dat het in elk geval niets bijzonders was.

Toen de mier die brief kreeg werd hij pas echt nieuwsgierig.
© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties