taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » over taalunie »

Juryrapport Taalunie Toneelschrijfprijs 1990

Nederlands-Vlaamse Toneelschrijfprijs 1990


Rede van de minister van WVC, drs. H. d'Ancona

Dames en heren,
Ik ben bepaald gelukkig dat ik vanavond de jaarlijkse prijs mag uitreiken voor het beste Nederlandstalige toneelstuk. Niet omdat het mij in de gelegenheid zou stellen nu eens fors in te gaan op het vraagstuk van de eenheid van De Nederlandse en Vlaamse cultuur; daar zijn andere toekomstige gelegenheden geschikt voor, maar omdat ik het gewoon prettig vind om blijk te geven van mijn belangstelling voor Het Theaterfestival. De oprichting van dit festival vier jaar geleden werd aanvankelijk door menigeen met argusogen bekeken. Weer een festival, wat moeten we er mee was zo'n beetje de overheersende opinie. Nu vier jaar later is dat meer duidelijk geworden. Een aantal constateringen in willekeurige volgorde.

Het festival draagt duidelijk bij aan wat ik het begin van een hernieuwde belangstelling voor toneel zou durven noemen. Waar een aantal jaren geleden sombere malaiseberichten over het toneel de boventoon voerden, lijkt het tij enigszins te keren. Dat toneel boeiend kan zijn en intrigerend, en dat de fysieke en soms schokkende confrontatie met verbeelding, emoties en ideeën ook nog verrijkend kan zijn is een van de opdrachten die dit festival zich had gesteld en met succes lijkt te volvoeren. Het aardige is dat daarbij niet gekozen is voor de makkelijkste weg. Dat niet is teruggegrepen op formules die inspelen op al gebleken publieksvoorkeuren of verwachtingen maar telkens die stukken worden gepresenteerd die naar de mening van een aantal eigenzinnige juryleden het interessante, zo u wilt, meestzeggende deel van het aanbod van het voorbije seizoen vormen. Natuurlijk leidt die keuze regelmatig tot gedonder en geruzie. Dat op zich hoort er niet alleen bij, je zou zelfs soms wensen dat die discussie nog wat feller en vooral fundamenteler zouden worden gevoerd. Mijn observatie is dat we in dat opzicht in Nederland bepaald niet verwend worden.

Een constatering van heel andere aard is dat het festival op vanzelfsprekende manier de osmose verraadt van de Vlaamse en Nederlandse theatercultuur. Ik heb al gezegd dat ik op dit onderwerp niet al te diep wil ingaan maar ik wil toch nu niet ongezegd laten dat in de wereld van het theater al geruime tijd sprake is van een enorm wederzijds verkeer tussen Vlaanderen en Nederland. Dat geldt zowel voor groepen als individuele theatermakers. Op dit moment is het van een groot aantal artistieke producten dan ook volstrekt irrelevant geworden het Vlaamse of Nederlandse aspect te willen onderscheiden. Het is opmerkelijk dat het Theaterfestival deze ontwikkeling van meet af aan heeft onderkend en verduidelijkt door zich consequent te richten op het totaal van het Nederlandstalig theateraanbod.

Dames en Heren, Ik heb een aantal redenen genoemd waarom ik het festival van belang vindt. Tot op heden heb ik dat evenals de andere financiers van dit festival tot uitdrukking gebracht in incidentele subsidies. Deze kwetsbare situatie heeft in het verleden wel eens tot financiële problemen geleid. Intussen heb ik begrepen dat met de verhuizing naar en met meerjarige financiële steun van Den Haag een solide basis in het vooruitzicht ligt. Bovendien zal met de plannen voor een tweede locatie in Vlaanderen de betekenis van het festival voor de Vlaams-Nederlandse theatercultuur worden versterkt. Tegen deze achtergrond acht ik het gerechtvaardigd mij nu voor de duur van deze nieuwe kunstenplanperiode uit te spreken voor een meerjarige financiering van dit festival voor een bedrag van 160.000 gulden per jaar met ingang van dit jaar. Ik verbind daaraan overigens wel de voorwaarde dat ook de andere financiers zoals die door het bestuur zijn aangezocht hun bijdrage zullen leveren. En dan kom ik nu toe aan de jaarlijkse prijs voor de toneelschrijfkunst. Ik ben mij ervan bewust dat ondanks het stimuleringsbeleid van de overheid er nog niet echt gesproken kan worden van een in alle opzichten bloeiende en groeiende toneelliteratuur. Dat heeft natuurlijk niet alleen te maken met gebrek aan belangstelling van professionele theatermakers en gezelschappen zoals de brochure van het theaterfestival ons wil doen geloven. Die belangstelling is immers een afgeleide van een mogelijk meer algemene geringschatting van dit segment van de literatuur niet in de laatste plaats bij schrijvers zelf. Daarom blijft het belangrijk regelmatig aandacht te besteden aan het belang van het scheppen en uitvoeren van oorspronkelijk Nederlandstalig drama zoals nu door het uitreiken van de prijs die dit jaar in 2 delen uiteenvalt. Daarover zegt het juryrapport:

Nederlands - Vlaamse Toneelschrijfprijs 1990 Juryrapport

De Nederlands - Vlaamse Toneelschrijfprijs is in 1988 op initiatief van Theaterwerkplaats In Dependance ingesteld. Sinds vorig jaar vindt de uitreiking plaats onder auspiciën van Het Theaterfestival. De prijs bedraagt 20.000 euro en wordt toegekend aan een auteur van een nieuw, oorspronkelijk Nederlandstalig toneelstuk dat in het; voorafgaande seizoen voor het eerst is opgevoerd. Van mededinging uitgesloten zijn vertalingen, adaptaties, libretti en teksten voor cabaret en poppentheater. Na toepassing van deze formele criteria bleven de jury dit jaar ruim negentig stukken ter beoordeling over. Indien de jury vast zou houden aan de overtuiging dat toneelteksten de spiegels zijn van tijdsgewricht en maatschappij, zou zij zich na het lezen van de geselecteerde toneelstukken ernstig zorgen moeten maken over de gesteldheid van zowel de humor als de hoeksteen in onze samenleving. Tal van schrijvers vonden hun inspiratiebron in al dan niet uit eigen jeugd opgegraven crisissituaties in gezins- en familieverband. En hoewel ook die stof tot vrolijkheid kan worden omgesmeed, bleef men grosso modo steken in goedbedoelde, zwaarwichtige variaties op dit thema. 'Blijven steken' is een term die niet alleen van toepassing bleek op de wat beperkte horizon van veel toneelschrijvers. Ook op het vaktechnische vlak bleven tal van de gelezen auteurs, zelfs als zij een interessant thema aan de haak hadden, vlak voor het einde van hun stuk 'steken'. De laatste scènes vormen een drempel waar velen over struikelen en al te vaak moet de 'deus ex machina' uitkomst bieden. De jury constateert voorts enkele opmerkelijke verschillen tussen de Vlaamse en de Nederlandse inzendingen. Zo bloeit in Vlaanderen een toneelgenre dat in Nederland vrijwel geheel ontbreekt: het historische docudrama - de nauwkeurige reconstructie van een leven, een gebeurtenis of een gerechtelijk proces. De weinig inspirerende voorbeelden die dit jaar in deze categorie werden geproduceerd geven geen reden om dit als een gemis te ervaren. Een ander kenmerkend onderscheid tussen de Vlaamse en Nederlandse toneelschrijfkunst ligt in het gebruik van dialect door de Vlamingen, Zij sluiten hiermee aan bij een rijke literaire en dramatische traditie in Vlaanderen. Dat het dialect daar ook in het dagelijks leven een belangrijke functie vervult als sociale strategie, geeft aanleiding te denken dat het ook in de toekomst schrijftaal zal blijven. Dit specifieke taalbewustzijn blijkt een stimulans tot een speelse omgang met woordenschat en stijlmiddelen.

De vreugde over het feit dat de Vlamingen de taalschat van de jury verrijkten woog nauwelijks op tegen haar teleurstelling over de taalarmoede in veel Nederlandse stukken. Meer dan in welk café ook vlogen hier de krachttermen over tafel. Krachttermen die zich bovendien bij voorkeur beperkten tot de grove verwijzingen naar de artes et partes sexus en het verzoek om verdoemenis aan de hemelse protagonist. Mag in dit geval nog sprake zijn van een smaakkwestie, dat het taalonderwijs in Nederland op didactische onderdelen ruimschoots tekortschiet, leerde de jury uit het aantal spel- en stijlfouten waarmee zij werd geconfronteerd.

Gelukkig bevonden zich tussen de meer dan negentig teksten ook veel stukken die getuigden van bekwaamheid, fantasie en humor. Het doet de jury deugd twee constateringen in het juryrapport van vorig jaar volmondig tegen te kunnen spreken. Stelde men vorig jaar met bezorgdheid vast dat zowel in het kinder- en jeugdtheater als in het Vlaamse theater de goede teksten tot de grote uitzonderingen behoorden, oftewel dat 'er een afgrond gaapte tussen de grote berg goede probeersels en de enkele prikkelende toneeltekst', dit jaar werden juist in deze twee categorieën de meeste goede teksten geschreven. Hoewel het kinder- en jeugdtheater slechts met vijftien stukken vertegenwoordigd was, bleven na de eerste selectie voornamelijk stukken uit deze categorie over. Bovendien waren in deze selectie de Vlamingen veel sterker vertegenwoordigd dan de Nederlanders.

Een aantal stukken wil de jury met name noemen.

Een voor het jeugdtheater opmerkelijke tekst is B is A in Bubbels van Willy Thomas. In een variatie op het Kaspar Hauser-verhaal gaat de auteur op fantasievolle wijze om met de fenomenen taal en macht en hun onderlinge relatie. Thomas verwerkt de stof inventief en origineel, in een opmerkelijk taalspel. De jury vraagt zich echter af of de taalfilosofische charme van het stuk niet te hoog is gegrepen voor de doelgroep, terwijl anderen waarschijnlijk weer zullen struikelen over de kinderlijke elementen in de structuur.

Van een geheel andere orde is het muziektheaterstuk dat Ad de Bont voor jongeren schreef: De ballade van Gamma. Het onderwerp is gelukkig gekozen -van lijmsnuivertje tot voetbalheld in Zuid Amerika- en biedt een uitstekend handvat om inzicht te geven in sociale en psychologische processen. De in het stuk opgeroepen sfeer, en de mystieke en mythologische ingrediënten roepen de beste exponenten van de Zuid Amerikaanse literatuur in gedachten. Vitaal jeugdtheater, uiterst speelbaar. Het einde wist de jury helaas niet geheel te overtuigen.

Elvis Peeters tenslotte schreef met zijn monoloog Het uw van de aap een tekst die getuigt van groot literair talent. In een uitgewogen stijl zet de auteur met veel humor een vrouw neer die na de dood van haar minnaar haar leven recapituleert. Het stuk daagt echter niet direct uit tot een theatrale presentatie. Indien de auteur met name het theatrale aspect van zijn werk verder ontwikkelt is de jury ervan overtuigd dat hij een zeer belangrijke aanvulling zal gaan leveren op het Nederlandstalige toneelaanbod. Uiteindelijk bleven twee stukken over die naar het oordeel van de jury van een dermate hoge kwaliteit zijn dat zij voor bekroning in aanmerking komen. Het was alle drie de juryleden onmogelijk een keuze te maken tussen deze in hun karakter zo verschillende toneelstukken.

Derhalve heeft de jury na rijp beraad besloten de prijs dit jaar te verdelen over twee auteurs: Arne Sierens voor Mouchette en Alex van Warmerdam voor Het Noorderkwartier.

Niets is wellicht moeilijker te beschrijven dan datgene wat zichzelf op het eerste gezicht omwille van zijn nadrukkelijke alledaagsheid voor iedere beklijvende inkleuring in het theater ongeschikt maakt. Met Mouchette echter bewijst Arne Sierens tegelijkertijd én de dramatische spankracht die er uit een leven-aan-de-overkant kan vertrekken én zijn vakmanschap om met dit uitgangspunt beheerst maar geenszins vrijblijvend om te gaan. Tevens illustreert hij met Mouchette op voortreffelijke wijze het grensoverschrijdende karakter van het betere kindertheater, waarin volop middelen worden aangewend die traditioneel thuishoren in het zogenaamde theater voor volwassenen. Wars van iedere ideologische zelfgenoegzaamheid of prekerigheid van een welzijnswerker confronteert Sierens ons met het leven in de maatschappelijke 'vergeetput'. Het kindvrouwtje Mouchette, de brutale puber, vroegrijp, niet uit behoefte maar uit noodzaak, ontmoet een oudere man, Arsène, een vage figuur die nergens vandaan komt. Vanuit hun gemeenschappelijke armoede, zowel materieel als affectief, gaan ze met elkaar een vreemd verbond aan waarvan ze allebei hopen beter te worden. Via een reeks emotionele ontladingen, een opeenvolging van elkaar afstoten en toenaderen, ontstaat een vreemde saamhorigheid. Het is de grote verdienste van de auteur dat hij deze 'tranche de vie' ver houdt van alle melodrama of goedkoop huiskamerrealisme, alhoewel het thema en de personages hiertoe gemakkelijk aanleiding hadden kunnen geven. Dat dit niet gebeurd is, houdt in belangrijke mate verband met de anekdotische presentatie van het verhaal. De opeenvolging van momentopnamen, deze mengeling van gevoelens en gevoeligheden, verleent aan het stuk een zeldzame directheid en kernachtigheid. De sprankelende volkstaal vol impliciete humor die Sierens zijn personages laat spreken, vervult een dienende rol ten opzichte van het geheel; nergens wordt de volkstaal hier misbruikt om een goedkoop succes te boeken. De auteur bezit onmiskenbaar de gave het innerlijke van zijn personages te 'verklanken' in een idioom dat naadloos aansluit op een schragend thema. Het is door dit samengaan van een anekdotisch gepresenteerde, maar sociaal breed-ingebedde thematiek met een zeer vakkundige, maar tegelijk ontwapenend authentieke vormgeving, dat de jury zich met enthousiasme heeft laten leiden bij het toekennen van de Nederlands - Vlaamse Toneelschrijfprijs 1990 aan de schrijver van Mouchette, Arne Sierens.

Alex van Warmerdam is een auteur die zijn stukken schrijft met de acteurs voor ogen, in casu de leden van zijn eigen muziektheatergezelschap De Mexicaanse Hond. Ooit heeft hij in een interview beweerd dat alleen hijzelf zijn stukken kan regisseren. Toch vormt Het Noorderkwartier een bewijs dat Van Warmerdam drama weet te schrijven dat met gemak aan de vergankelijkheid van de eigen enscenering ontstijgt. Bovendien toont de auteur op overtuigende wijze aan dat het gezin wel degelijk de basisingrediënten kan leveren voor geïnspireerd theater. De machtsverhouding tussen kind en volwassene krijgt in zijn handen een uitwerking die verre blijft van huiskamerrealisme of psychoanalytisch gewroet in de zielen der personages. Faas, de zoon van ver in de veertig, wordt door zijn vader en moeder gedwongen tot een doelloos, prikkelvrij bestaan binnen de muren van het ouderlijk huis. De kozijnen van het flatraam lijsten zijn buitenwereld in. Hoewel de gezinssamenstelling sterk doet denken aan die in Abel, blijkt Het Noorderkwartier de feitelijke tegenhanger te zijn van deze speelfilm. Abel had pleinvrees, Faas is binnen de kaders van een ingeperkt bewustzijn rebels en nieuwsgierig. Hij hongert naar de wereld buiten en dan met name naar die der schone kunsten. De originaliteit waarmee Van Warmerdam Faas' kennismaking met de kunst formuleert tilt de anekdote op gezette tijden op tot het niveau van verfrissende kunstkritiek. Bovendien maakt de beeldende kunst niet alleen deel uit van de fabel, het lijkt alsof zij van meet af aan de pen heeft gedicteerd. Op schilderkunstige wijze zoomt de tekst dan weer in op details om vervolgens over te gaan tot het schetsen van grove lijnen. Van Warmerdam beschikt over het oog van de schilder, en, evenzeer, over het oor van de dichter, dat gevoelig is voor de typerende zinswending en woordkeus. Beide eigenschappen stellen hem in staat met zeer krachtige, economische middelen personages en situaties haarscherp neer te zetten.

Dat hij in zijn montage liever tegemoet komt aan de verlangens van oog en oor dan aan die van de rede draagt bij aan het zeer theatrale karakter van zijn werk. Steeds opnieuw openen de summiere, scherpe dialogen en de plotselinge overgangen deurtjes in onze geest. Het is drama dat je het weldadige gevoel geeft even als een kind naar de wereld te mogen kijken, echter zonder je volwassen bewustzijn te verliezen. Het is dit bewustzijn dat je in staat stelt te genieten van Van Warmerdams ironie en humor. De jury heeft eensgezind besloten de Nederlands - Vlaamse Toneelschrijfprijs 1990 toe te kennen aan de schrijver van Het Noorderkwartier, Alex van Warmerdam.

Nan van Houte, dramaturge
Hanna Oberman, dramaturge
Frank Peeters, wetenschappelijk medewerker theaterwetenschap
Steven Peters, organisatie

Nieuwsberichten
© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties