Nederlands-Vlaamse Toneelschrijfprijs 1991
De Nederlands-Vlaamse Toneelschrijfprijs is in 1988 op initiatief van Theaterwerkplaats InDependance ingesteld. Sinds 1989 vindt de uitreiking plaats onder auspiciën van Het Theaterfestival. De prijs bedraagt fl. 20.000,-, ongeveer 360.000 bfr., beschikbaar gesteld door het ministerie van WVC en het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De prijs is bedoeld voor de auteur van een oorspronkelijke Nederlandstalige toneeltekst die volgens de jury aangemerkt kan worden als een bijzondere prestatie op het terrein van de toneelschrijfkunst. Vorig jaar ging de prijs ex aequo naar Arne Sierens en Alex van Warmerdam. Van mededinging uitgesloten zijn vertalingen, libretti en teksten voor cabaret en poppentheater. Na toepassing van deze formele criteria bleven de jury dit jaar ongeveer negentig stukken, waarvan een derde Vlaams, ter beoordeling over.
Naarmate de prijs langzaam maar zeker een eigen geschiedenis krijgt, komen vergelijkingen met het aanbod teksten uit het verleden als vanzelf binnen het blikveld. Hoewel de geschiedenis beslist nog te pril is om nu reeds van betekenisvolle tendensen te gewagen, stelt zij de jury toch in staat een aantal tracés uit te tekenen. De toekomst zal duidelijk maken of de behoedzaam getrokken stippellijnen van nu ook later nog met de hoogten en laagten van het Nederlandstalige toneelschrijflandschap uit deze periode zullen samenvallen.
Een eerste vaststelling is tegelijk ontwapenend en vlijmscherp in haar vanzelfsprekendheid: het schrijven van stimulerende teksten voor het theater is een uitdaging die door nog te velen al te roekeloos wordt aangegaan. Dit resulteert enerzijds in een verzameling kleurloze schrifturen, staalkaarten van handigheidjes en holle retoriek, luidruchtige boodschapperigheid of gênant consumptietheater, waarbij het behagen van het verworven toeschouwerssegment als eerste en enige maatstaf lijkt te gelden. Anderzijds zijn er de leerling-tovenaars, de beeldenstormers, die, gedreven door hun blinde bewondering voor enkele trendsetters in de moderne toneelschrijfkunst en hun onbekookt afwijzen van een in hun ogen verdacht vakmanschap, schrijfsels produceren die jammer genoeg voedsel geven aan het wijdverspreide vooroordeel dat bij een groot deel van de bevolking tegen het eigentijdse theater bestaat. Toch is de jury wat deze tweede groep betreft hoopvoller gestemd omdat ze bij sommigen van deze auteurs naast sporen van groeipijn soms verrassende aanzetten voor een eigenzinnige schriftuur aantrof.
Gelukkig is er naast de onvermijdelijke terughoudendheid ook reden tot optimisme. Dit optimisme is des te groter omdat het hier blijkbaar een tendens betreft en als zodanig niets te maken heeft met incidentele gelukstreffers. De jury verwijst in dit opzicht graag naar het vorige rapport waarin met name de aandacht werd gevestigd op het relatief grote aantal waardevolle teksten in het kinder- en jeugdtheater en de ontwikkeling van een heel eigen theateridioom bij sommige Vlaamse auteurs. Zoals in het verleden blijkt ook nu 'dit specifieke taalbewustzijn [...] een stimulans tot een speelse omgang met woordenschat en stijlmiddelen' (Jury-rapport 1990). Bovendien is het een verheugend feit vast te stellen dat dit kinder- en jeugdtheater inhoudelijk hoe langer hoe meer afstand neemt van het didactisch-moraliserend model. Qua vormgeving echter houdt het, op enkele gelukkige uitzonderingen na, nog al te zeer vast aan een traditionele retoriek waarbij te weinig rekening wordt gehouden met vigerende tendensen in het volwassenentheater - of wat daarvoor doorgaat.
De jury was verder aangenaam verrast door de toename van het aantal verdienstelijke tot boeiende bewerkingen van klassieke teksten uit zowel het theater als de literatuur. Eens te meer is het opvallend hoe ook hier weer de teksten voor jeugdige toeschouwers nadrukkelijk vertegenwoordigd zijn.
Grote inhoudelijke verschillen tussen de Vlaamse en de Nederlandse inzendingen, zoals die in het vorige juryrapport nog werden gesignaleerd, werden er dit jaar niet vastgesteld. Met name is het vorig jaar in dit verband vermelde Vlaamse 'historische docudrama' uit de tabellen verdwenen. Wel stelt de jury tussen de Nederlandse teksten een grotere voorliefde vast voor wat men als (post)modeme schrifturen kan bestempelen. In een aantal gevallen levert dit ook een uitgangspunt voor boeiend theater maar frequenter is de hokus-pokus van de eerder vermelde leerling-tovenaars.
Vooraleer de laureaat van de Nederlands-Vlaamse Toneel schrijfprijs 1991 bekend te maken wil de jury een aantal opmerkelijke stukken met name noemen.
Met Nachthemd schreef Roel Adam voor kinderen vanaf 8 jaar een vrije variatie op het overbekende De Kleine Prins. Adam slaagt er in de filosofische boodschap over vriendschap op een tegelijk directe en poëtische manier vorm te geven. Alhoewel De Saint-Exupéry als een grondtoon in Adams verhaal doorklinkt, brengt de auteur zoveel persoonlijke toetsen aan dat Nachthemel als een betekenisvolle bijdrage tot het hedendaags kindertheater kan worden gerekend. Bovendien beschikt Adam over voldoende vakmanschap om van Nachthemel niet enkel een lezenswaardige tekst te maken, maar legt hij tegelijk een tekst voor die voldoende theatrale aangrijpingspunten biedt om, zowel voor acteurs als toeschouwers, tot een stimulerende voorstelling uit te groeien.
Jan van der Mast leverde met De dood van een sardien een markante tekst af voor jonge kinderen. Ook Van der Mast bewijst dat hij een bestaande prozatekst, Malerba's Autobiografie van een sardien, op een originele manier kan omvormen tot een compositie die zonder meer op haar eigen mérites kan worden beoordeeld. Tot die verdiensten rekent de jury zeker de doorgedreven en volgehouden origi- naliteit van de dialogen die sprookjesachtig aandoen maar die door een flinke dosis relativerend realisme tegelijk buiten de gangbare modellen van het genre terechtkomen.Door middel van ongewone humor, taalspelletjes en een absurdistisch manipuleren van alledaagse begrippen en voor werpen komt een gelaagde tekst tot stand die nergens uitleggerig aandoet en ook buiten de specifieke doelgroep een publiek kan vinden.
Paul Pourveur heeft al eerder bewezen een begaafd scenarist en toneelauteur te zijn. In Stukken III (Annie: extended dub-versie) illustreert hij dit vakmanschap opnieuw overtuigend. Vanuit het basis-materiaal, in dit geval een waar gebeurd verhaal, weet Pourveur een theatraal bruikbare en los van de oorspronkelijke bron werkende tekst te distilleren. De tekst wordt gekenmerkt door een grote visualiteit, waardoor hij zich eerder laat lezen als een scenario dat de uitvoerders een veelheid aan scènebeelden aanreikt. Als weinig anderen kent en onderkent Pourveur de mogelijkheden en beperkingen van het teksttheater. In Stukken III bewijst hij dit in een vorm die tegelijk poëtisch en direct, speels en aangrijpend, herkenbaar en verrassend is.
Al behoren de feitelijke discussies van de jury per definitie tot de discrete beslotenheid van deze of gene werkkamer, toch acht de jury het opportuun om een momentopname van deze gesprekken in de openbaarheid te brengen, aangezien enkel hierdoor een beredeneerde nuancering van de uiteindelijke beslissing kan worden aangebracht. De vierde en laatste tekst die in dit rapport een aparte vermelding verdient maar waarover in laatste instantie geen consensus werd bereikt is A Hard Day's Night van Rob de Graaf. Deze tekst, waarvan de produktie ook is opgenomen in de selectie van Het Theaterfestival, behoorde samen met het korte en programmatische Oost (een experiment) van meet af aan tot de zeer reële kanshebbers voor de Toneelschrijfprijs 1991. De pijnlijk-kernachtige en tegelijk poëtische formuleringen, de talloze perspectiefwisselingen van werkelijkheid naar fictie, van acteur naar personage, die op de lezer/toeschouwer van A Hard Day's Night worden losgelaten enerzijds, het wrange en tegelijk ontroerende artistieke testament van Nieuw-West gekoppeld aan de bredere reflectie over de kunstenaar in de hedendaagse maatschappij in Oost (een experiment) anderzijds, én het volgehouden vakmanschap van De Graaf als tekstschrijver van eigenzinnig en verontrustend theater gaf aan de discussie een nieuwe impuls.
Niettegenstaande dit alles was de jury van mening dat A Hard Day's Night voor zijn optimale presentatie, waardoor hij ondubbelzinnig boven zijn naaste concurrenten zou uitstijgen, al te zeer schatplichtig blijft aan de weergaloze spelprestatie van Marien Jongewaard.
De inzending die volgens de jury als zelfstandige tekst én als dramaturgische blauwdruk net dat supplementaire leesplezier gaf, net dié prikkelende nieuwsgierigheid naar zijn vormgeving op de scène, en die zij na ampel beraad dan ook met de Nederlands-Vlaamse Toneelschrijfprijs 1991 honoreert is Meneer, de zot & het kind van Jan Decorte.
De tekst, die gedateerd is 23 mei 1991, ging op 29 mei in première in de Brusselse Beursschouwburg, d.w.z. exact drie dagen voor het afsluiten van de termijn waarbinnen een stuk in produktie genomen moet zijn om voor deze Toneel schrijf prijs nog in aanmerking te kunnen komen. Met deze tekst, waarin Decorte de tragiek van King Lear toegankelijk maakt voor erg jonge toeschouwers, bekleedt de auteur een volstrekt unieke plaats in het nochtans rijke aanbod kinder- en jeugdtheater dat Vlaanderen en Nederland op dit ogenblik kent. Eigenzinnig in zijn idioom, onmiskenbaar Vlaams maar soepel en wars van provincialisme, glashelder en essentieel in zijn reductie van het origineel, stimulerend en uitdagend als theaterpartituur, schreef Decorte met Meneer, de zot & het kind volgens de jury de merkwaardigste Nederlandstalige tekst van het voorbije seizoen. De zwakheden en haperingen die het eerdere In het moeras (naar Büchners Woyzzeck) nog ontsierden zijn hier verdwenen. Onnavolgbaar persoonlijk vertelt Decorte het overbekende verhaal na, zodat een nieuwe tekst ontstaat die ontroert door zijn eenvoud; tussen de lezer/toeschouwer en de tekst staan geen obstakels. Die ontwapenende eenvoud verleent aan de tragiek van de oude koning, ontdaan van zijnretorische pathos, een immoraliteit, grimmig door haar vanzelfsprekendheid. Hierdoor bevinden de personages zich in een desolaatheid die haar gelijke niet kent. Dat de tekst ook buiten de specifieke doelgroep verwarring kan stichten is voor de jury een even evidente als verheugende vaststelling. Omdat de jury overtuigd is van de theatrale rijkdom van de tekst, spreekt zij tenslotte de hoop uit dat ook andere theatermakers dan de auteur deze tekst als een uitdaging zullen ervaren.
Jury:
Joan Nederlof, Mug met de Gouden Tand
Frank Peeters, Universitaire Instelling Antwerpen
Gerardjan Rijnders, Toneelgroep Amsterdam
Nieuwsberichten
- Kris Cuppens wint Taalunie Toneelschrijfprijs 2006
- Genomineerden Taalunie Toneelschrijfprijs 2006 bekend
- Anna Enquist, Antoine Uitdehaag en Anne Vegter winnen Taalunie Toneelschrijfprijs 2005 met Struisvogels op de Coolsingel
- Winnaars Taalunie Onderwijsprijs 2004 bekend
- Jeroen van den Berg wint Taalunie Toneelschrijfprijs
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
