Taalunie Scriptieprijs 2004: samenvatting winnende scriptie
Op 8 december 2004 werd in Antwerpen de Taalunie Scriptieprijs uitgereikt voor een scriptie over letterkunde. Uit de tien genomineerden besloot de jury eensgezind de Taalunie Scriptieprijs 2004 toe te kennen aan Hadewijch Ceulemans (Universiteit Antwerpen) voor haar scriptie Memorabele mystiek. De rationale-passage uit Ruusbroecs Vanden geesteliken tabernakel. Hieronder volgt een samenvatting van deze winnende scriptie:
Memorabele mystiek:De rationale-passage uit Ruusbroecs Vanden geesteliken tabernakel
Op welke manier functioneerde een tekst als Vanden geesteliken Tabernakel, geschreven door de bekende Brabantse mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381), bij lezers in de veertiende en vijftiende eeuw? Het antwoord op deze vraag, die het uitgangspunt was van mijn licenciaatsverhandeling, ligt voor een moderne lezer niet voor de hand. In onze ogen is het Tabernakel niet bepaald een spannende tekst: hij is erg lang, met een religieuze boodschap, die bovendien verpakt is in een ingewikkelde allegorie waaraan geen eind lijkt te komen. Ruusbroec beschrijft in dit traktaat het tabernakel van Mozes uit het Oude Testament (Ex. 28) en presenteert het als een symbool voor een figuurlijk, innerlijk tabernakel dat de lezer in zichzelf moet opbouwen. Elk onderdeel en elk meubel van het tabernakel van Mozes, hoe klein ook, verbeeldt daarbij een of andere deugd die de mens moet beoefenen om dichter bij God te komen.
Geen wonder dus dat tot nu toe nog maar weinig onderzoek naar het Tabernakel is verricht. De allegorische verpakking maakt het namelijk alleen maar lastig om de mystieke inhoud van Ruusbroecs leer te achterhalen, en dat was nu eenmaal het doel van de meeste studies die tot dus verre over Ruusbroecs werk zijn gemaakt. Vanuit een literair-historisch standpunt is er echter wel een dwingende reden om meer aandacht te besteden aan het Tabernakel: in de veertiende en vijftiende eeuw werd dit traktaat juist wél heel erg gewaardeerd. Na de Brulocht was het Ruusbroecs meest gekopieerde en dus meest gelezen werk. Uit kronieken en andere middeleeuwse bronnen kunnen we bovendien afleiden dat het zeker niet alleen de Brulocht maar ook het Tabernakel was waarmee Ruusbroecs reputatie als respectabel auteur werd gevestigd.
Ik vind het intrigerend dat de middeleeuwse smaak zo verschilde van onze. In mijn verhandeling ben ik daarom op zoek gegaan naar een antwoord op de vraag waarom die allegorische aanpak van het Tabernakel voor een middeleeuwse lezer zo aantrekkelijk was, en ik meen het te hebben gevonden bij de typisch middeleeuwse leeshouding. Voor een middeleeuwer was lezen een uiterst intense bezigheid; lezen gebeurde langzaam, in opperste concentratie. Een middeleeuwer wilde zich de boodschap van een tekst letterlijk en figuurlijk inprenten. Hij wilde een tekst deel maken van zichzelf, interioriseren, om daarna over de verschillende aspecten ervan te kunnen mediteren.
Het geheugen, of de memoria, is hierbij uiteraard een onmisbaar instrument. En om optimaal te functioneren heeft het geheugen nood aan een overzichtelijke structuur, en aan visuele beelden. Middeleeuwse mystieke traktaten gingen daarom soms vergezeld van afbeeldingen en diagrammen, maar dat hoefde niet per se: auteurs zorgden er in de eerste plaats voor dat ze met woorden alleen een overzichtelijk visueel totaalbeeld uittekenden voor hun lezers.
Ik heb getracht om na te gaan in hoeverre dit memoria-concept een rol heeft gespeeld in de genese en receptie van Vanden geesteliken tabernakel, aan de hand van een analyse van één welomlijnde passage waarin Ruusbroec de figuurlijke betekenissen van het rationale, dat is de borstlap van de hogepriester Aäron, onthult en toelicht. De auteur voldoet in deze passage zonder twijfel aan de twee belangrijkste memoria-vereisten: hij structureert zijn betoog heel helder en schetst een levendig en ordelijk visueel beeld voor het geestesoog van zijn lezers. Daarvoor zorgen de twaalf edelstenen die volgens de bijbel in de borstlap stonden, geschikt in drie rijen van vier. Ruusbroec beschrijft de kleuren en de bijzondere eigenschappen van deze edelstenen heel expliciet, en verbindt ze na enkele tussenstappen (ook de namen van de twaalf apostelen worden als geheugensteuntje gebruikt) uiteindelijk telkens aan één van de twaalf artikelen van het geloof.
Op deze manier leert hij zijn lezers eerst en vooral de figuurlijke betekenissen aan van de edelstenen in het rationale, dat zijn dus de twaalf geloofsartikelen. Maar Ruusbroec wil niet alleen dat zijn lezers de geloofsbelijdenis van buiten leren, hij wil ook dat ze zich bewust worden van de morele betekenis van de artikelen en zich daardoor in hun dagelijks leven laten leiden. Hij gebruikt het voorbeeld van de apostelen en de beschrijvingen van de edelstenen, die sterk tot de verbeelding spreken, om het begrijpen en onthouden van die ethische wenken te vergemakkelijken.
Ruusbroec doet er dus alles aan dat zijn lezers de rationale-passage optimaal zouden opnemen in hun geheugen, maar dat doet hij niet om louter didactische redenen. De eindeloze allegorieën van het Tabernakel dienen een hoger doel: ze zorgen ervoor dat de mystieke boodschap van Ruusbroecs tekst, zijn richtlijnen om dichter bij God te komen, via de memoria kunnen worden geïnterioriseerd door de lezer. Het totaalbeeld van het figuurlijke, innerlijke tabernakel kan dankzij de allegorische aanpak zo gestructureerd en zo duidelijk visueel in het geheugen worden opgeslagen dat de lezer zich te allen tijde de verschillende onderdelen in de juiste orde en samenhang opnieuw voor de geest kan halen. Hij kan dan over de symboolwaarde van die onderdelen mediteren en de morele richtlijnen die hij er uit afleidt toepassen in zijn eigen leven. In het Tabernakel toont Ruusbroec zich een auteur van zijn tijd, met oog voor de noden van zijn lezers en hun memoria. Net al die allegorieën waaraan wij zo’n hekel hebben, maakten Vanden geesteliken tabernakel voor een middeleeuws publiek het onthouden waard.
Hadewijch Ceulemans
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties