taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » over taalunie »

Toespraak Kees Fens

Toespraak door Kees Fens bij de overhandiging van het eerste en het laatste deel van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur op 23 februari 2006.

HET EERSTE EN HET LAATSTE

Tegen het eindjaar van Stemmen op schrift, rond 1300 dus, begon men met de bouw van deze kerk, waarin God de ruimte kreeg. Kijk om u heen en u ziet de cultuur waaruit deze kerk voortkwam, maar waaruit zich ook de literatuur ontplooide. U ziet hier, wat we te zelden lezen. Het Latijn was de taal van deze kerk - ze is er laat aan ontkomen. De literatuur was sneller, zoals het eerste deel van de geschiedenis van onze literatuur bewijst. Snel in de secularisatie, die elke ontwikkeling in de literatuur is, want altijd een zich ontrekken aan een gevestigde orde, van de taal met name. Sneller nog was die literatuur in haar ontwikkeling. Een taal kan er lang over doen voor zij zich buigt voor de verbeelding, het Latijn is er een voorbeeld van. De allervlugste was het Italiaans; een eeuw na de eerste gedichten wordt in die taal het grootste gedicht aller tijden geschreven. Het Middelnederlands is een schitterende derde met de poëzie van Hadewych en de Reynart - de mystiek en de satire - als bergen die zich al vroeg in het nieuwe landschap voordoen. Tweede is de Vlaamse literatuur, herbegonnen in 1830 met bijna niets. Zelfs de taal moest nog worden geschapen. En binnen enkele decennia schreef in die taal een van onze allergrootste dichters, Gezelle. Het ontstaan van een literatuur te lezen, het begin van haar geschiedenis dus, is fascinerend. De overvloed van het voorlopige eindpunt, als beschreven in het laatste deel, wordt er glorieuzer door. Het vroegste heeft ook het laatste voortgebracht - de titel van het laatste deel wijst het uit - maar de nieuwste literatuur niet minder de alleroudste. Ze is door ons gevormd, beïnvloed zelfs. De ware chronologie gaat van Z naar A. Het laatste en het eerste deel van de nieuwe literatuurgeschiedenis als eerste te laten verschijnen - het getuigt van een schitterend inzicht in het wezen van de literatuur bij de Nederlandse Taalunie.

Beide delen zijn een geschiedenis van verbanden, verrassende verbanden vaak. Losse gegevens tot bijna sluitende constructies maken - dat is het wezen van de literatuurgeschiedschrijving, waarin wetenschap en verbeelding samenwerken. Die verbanden bepalen ook het geluk van de lezer. Zijn leeswereld, altijd lichtelijk chaotisch, nooit verder gekomen dan de derde scheppingsdag, krijgt orde, samenhang, voltooiing. Een literatuurgeschiedenis hoort je laatste boek te zijn. Met een gelukkig makende schijn van orde in het hoofd sluit je je ogen boven de laatste bladzijde ervan. Ik had al vroeg moeten sterven na lezing van de zeven delen van de Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde van Gerrit Kalff en het door W. Asselbergs - Anton van Duinkerken - geschreven negende deel van de Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, die beide, ook om hun schitterende stijl, een ideaal in de verte zijn gebleven, dat, hoop ik, in 2010, als deze geschiedenis voltooid is, vervuld zal zijn. Dat de literatuurgeschiedenis ook je eerste boek moet zijn, durf ik, in het licht van de onvermijdelijke glorie van de nieuwe willekeur, alleen bijna fluisterend te beweren.

Het verband, de samenhang kan het karakter van een openbaring hebben. (Ik moet bekennen die altijd in mijn lectuur te zoeken; ik geloof in de schijn van de synthese). In een hoofdstuk over de Maaslandse cultuur, die onder meer in de edelsmeedkunst gestalte kreeg, wordt de bouwheer van de Abdij van Saint Denis, de abt Suger, geciteerd. In de door hem zelf gebouwde kerk raakte hij in extase door de glans van de edelstenen. Van Oostrom voegt hier aan toe: 'Het is geen toeval dat het juist de schitterende edelstenen zijn die Suger hier in hoger sferen brengen. De betekenis die weldra het woordje scone bij mystici als Hadewych en Ruusbroec zou krijgen, namelijk 'omstraald door eeuwigheidslicht', was steeds geïmpliceerd.' Maaslandse kunstnijverheid en het werk van de twee grootste mystici van de Middelnederlandse literatuur komen hier samen: in beide vonkt hetzelfde licht. Brems bracht met de keuze van het meesterwerk Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon als opening verbanden aan naar inhoud en naar vorm met een groot deel van zijn geschiedenis. Het resultaat is een samenhangende betekenis van veel werken, proza en poëzie, en een nieuwe betekenis voor de afzonderlijke werken. Een literatuurgeschiedenis doet altijd het geheel en de delen oplichten. Een literair werk wordt pas volwaardig in de context van de geschiedenis zoals een boek in de bibliotheek. Dat is wat we in deze twee delen kunnen zien gebeuren. Een werk dat buiten de geschiedenis blijft, is dakloos en aangewezen op de een lezer des heils, een scriptieschrijver vaak.

De twee auteurs zijn dus voltooiers, in meer betekenissen. Maar voorlopige. De auteur van het laatste deel geven wij het grootste credit van de voorlopigheid, bijna van gelijke omvang als die wij aan de kritiek geven, want hij schrijft soms op het randje van vandaag en gisteren. Vooral zijn eigen boek zal nog geschiedenis moeten worden. We zouden het in de boekenkast moeten zetten en over vijfentwintig jaar openen. Dan zal het pas zijn ware gedaante tonen. De dichter Leo Vroman stuurde in zijn studententijd enige gedichten naar het maandblad De Gids. Hij kreeg ze van de redacteur Anton van Duinkerken teruggestuurd met raadgeving, de verzen nog enige tijd te laten rijpen. Vroman heeft ze toen, naar eigen zeggen, op zolder gelegd. Een paar jaar later waren ze rijp. Andere ogen lazen ze, de gedaante van de gedichten veranderde. Dit kleine voorval laat het lot van alle literatuur zien. Altijd is het wachten op de goede lezers. Twee groten onder hen hebben twee perioden rijp gemaakt voor ons, tot ze over een halve eeuw weer groen blijken.

Het laatste woord is aan de dichter, Gerrit Kouwenaar. Zijn gedicht binnen sluit het eerste deel af. Het is een zeer aangrijpend liefdesgedicht, een gedicht over een afgesloten liefde. De laatste regels luiden:

diep in de tuin dooft het buitenste binnen
altijd die vogels die nesten beginnen
.

De laatste regel verwijst naar de oudste regels uit onze literatuur, het mooiste kladgedicht dat we hebben. Een liefdesgedicht ook. Het gedicht sluit niet alleen het eerste deel af, maar opent ook het laatste deel, dat de titel heeft Altijd weer vogels die nesten beginnen. Natuurlijk was de regel van Kouwenaar met dat woordje 'die' mooier geweest. De literatuur gaat altijd door, suggereert de titel. Maar ook de liefde. Het zijn twee mooie vooruitzichten bij zo veel terugblikken als in deze twee boeken.
© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties