taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » over taalunie »

Toespraak Willy Martin

Toespraak Willy Martin ter gelegenheid van de presentatie van het woordenboek Nederlands-Nieuwgrieks/Nieuwgrieks-Nederlands
12 februari 2009, Boekenborrel Universiteit van Amsterdam

Ik had er eigenlijk nooit bij stilgestaan. Bij Nieuwgrieks bedoel ik. Vijf jaar lang had ik Grieks gekregen op de middelbare school en daar werd met geen woord over Nieuwgrieks gerept: Oudgrieks was Grieks en Grieks was Oudgrieks. Punt. Uit. Veel veranderde op die nazomerse middag zo’n kleine vijftig jaar geleden. Ik zal samen met zo’n 200 andere eerstejaarsstudenten zachtjes weg te dromen in de collegezaal terwijl ik in de verte de toenmalige hoogleraar allerlei verbanden tussen talen hoorde uitleggen. Plotseling werd ik opgeschrikt door een schril geluid dat m.i. niet helemaal paste bij de doceertoon van de hooggeleerde heer vooraan: hij die altijd onverstoorbaar en plechtig peroreerde, liet nu een keelgeluid horen dat eerder op een frivool gekir leek: kikirikí. In één klap was iedereen klaarwakker en vernamen wij dat naast het Grieks dat wij kenden, het Klassieke Grieks, een tweede soort Grieks, een moderne variant bestond, het Nieuwgrieks, dat een zogenaamde kikirikitaal was. Bij dergelijke talen evolueerden de meeste diftongen tot monoftongen zodanig zelfs dat, in het geval van het Grieks, het Nieuwgrieks helemaal niet meer leek op het Grieks uit onze middelbare schoolboeken. Zo werd het woord eimi (ik ben) wat wij ontelbare keren in onze teksten waren tegengekomen nu, in het Nieuwgrieks, helemaal anders, nl. als [imè] uitgesproken.

Het voorval is mij steeds bijgebleven, allicht omdat ik toen niet alleen een vreemd woord rijker (kikiriki) maar ook een illusie armer was geworden: die vele verzen die ik uit het hoofd had geleerd - uit het hoofd had moeten leren - en die ik, samen met vele van mijn klasgenoten, nog steeds uit het hoofd kon opzeggen - zodanig zelfs dat, wanneer iemand van ons het woord enteuten uit Xenofons Anabasis liet vallen, wij moeiteloos konden aanvullen met ‘ekselaunei statmous treis, parassangas dodeka’ (N. vandaar trok hij verder drie dagmarsen lang, over twaalf parassangen) - met die vele verzen zou ik niet veel, om niet te zeggen niets, in het Griekenland van vandaag kunnen aanvangen: de Grieken zouden mij niet eens begrijpen en ik hen evenmin.

Hoewel, het dient gezegd, onze hoogleraar ontnam ons niet meteen álle illusies. Het Grieks van vandaag was dan wel fonetisch en grammaticaal zeer afwijkend van dat van 2 millennia geleden, maar, volgens hem, was er lexicaal toch nog een zeer sterke overlap. Dit wekte toen al mijn aandacht, hoop en nieuwsgierigheid en later, u zal het begrijpen, Dames en Heren, nog veel meer. Ik ben dus in deze, door Het Spectrum prachtig uitgegeven boeken, waaraan door de hele redactie meer dan 10 jaar lang met onvolprezen volharding is gewerkt, en waarvoor ik hen hier vandaag van harte wil feliciteren, gaan grasduinen niet zozeer met de bedoeling te kennen, maar in de hoop te herkennen.

In mijn ‘recherche du temps passé’ was het woord dat mij als eerste te binnen schoot het zonet aangehaalde statmos uit Xenofons bekende boek. Tot mijn verbazing en vreugde vond ik het inderdaad terug op p.950 waar het bijna een halve kolom in beslag nam. Mijn vreugde werd weliswaar getemperd wanneer ik merkte dat statmos in eerste instantie nu ‘station’ betekende: niet alleen een trein- of busstation maar ook een station in de ruimte of zelfs een radiostation, een zender. Maar wanneer ik bleef kijken, zag ik dat het ook nog ‘mijlpaal’, ‘keerpunt’ betekende en verder zelfs ‘stop’, ‘stopplaats’ of ‘halte’ wat mij, met een beetje goede wil, in de buurt bracht van de dagmarsen uit mijn jeugd zodat ik weer moed vatte en mijn zoektocht verderzette.

Ik kon er niet aan weerstaan nu ook het woord ‘parassangès’ op te zoeken. Op p.778 vond ik het volgende resultaat: ‘oude Perzische lengtemaat van 5243 meter’ - mijn oud-leraar Grieks - pardon, mijn oud-leraar Oudgrieks - zou het niet beter op preciezer hebben kunnen formuleren, al heb ik hem het woord nooit in figuurlijke zin horen gebruiken zoals dit woordenboek doet wanneer het stelt dat ‘als iemand parassangen van zijn klasgenoten verwijderd is’ hij dan ‘met kop en schouders boven zijn medeleerlingen uitsteekt’.

Aangemoedigd door deze resultaten ben ik verder blijven zoeken, mij de allereerste Nederlandse vertalingen herinnerend die ik ooit uit het Grieks, het Oudgrieks, maakte. Iets in de zin van: ‘de wijze man bevrijdt de goede slaaf’ en ja hoor, opnieuw vond ik ze meteen allemaal weer: de ‘antropos’ en de ‘doulos’, ‘sofos’ en ‘agatos’ en ‘luo’ dat nu ‘luno’ geworden was. Maar zelfs al had ik ze niet snel, of zelfs helemaal niet gevonden, het kon mij niet deren. De weg mocht lang zijn, hij zou mij niet teleurstellen want, zo had ik ervaren, hij was boeiend. U begrijpt, Dames en Heren, dat dit woordenboek voor mij een gids geworden was, een gids voor het heden naar het verleden en omgekeerd, mijn gids en begeleider naar Ithaka - als dit niet te pretentieus zou klinken. Ithaka dat eiland waarnaar de Grieken na hun vele veldtochten en lange omzwervingen ooit hoopten terug te keren en waaraan de Nieuwgriekse dichter Kavafis een wondermooi gedicht heeft gewijd. Met dit gedicht in de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf wil ik dan ook graag besluiten, in de hoop dat het zowel voor de makers als voor de gebruikers van deze woordenboeken van toepassing kan zijn.

Als je de tocht aanvaardt naar Ithaka
wens dat de weg dan lang mag zijn,
vol wederwaardigheden, vol belevenissen.
De Kyklopen en de Laistrygonen,
de woedende Poseidon hoef je niet te vrezen,
zulke ontmoetingen zul je nooit hebben op je weg
wanneer je denken verheven blijft, verfijnd
de emotie die je hart en lijf beroert.
De Kyklopen en de Laistrygonen,
de woeste Poseidon zul je niet tegenkomen
wanneer je ze niet in je eigen geest meedraagt,
wanneer je geest hun geen gestalte voor je geeft.

Wens dat de weg dan lang mag zijn.
Dat er veel zomermorgens mogen komen
waarop je heel dankbaar, heel blij
onbekende havens zult binnenvaren;
dat je mag pleisteren in Fenicische handelssteden
om mooie dingen aan te schaffen
van parelmoer, koraal, barnsteen en ebbehout,
en opwindende geurstoffen van alle soorten
opwindende geurstoffen zoveel je krijgen kunt;
dat je talrijke steden in Egypte aan mag doen
om veel, heel veel van de geleerden op te steken.

Blijf wel altijd denken aan Ithaka.
Daar aan te komen is je doel.
Maar overhaast de reis in geen geval.
’t Is beter dat die vele jaren duurt en
je pas als oude man bij het eiland afmeert,
rijk door wat je onderweg verwierf,
zonder verwachting dat Ithaka je rijkdom schenken zal.
Ithaka schonk je de mooie reis.
Bestond het niet, dan was je nooit vertrokken.
Maar méér heeft het je niet te bieden.

En vind je het armzalig, Ithaka bedroog je niet.
Zo wijs geworden, met zoveel ervaring,
heb je al begrepen waar Ithaka’s voor staan.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties