taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » over taalunie »

Veranderingen in vergelijking met de opdracht

VERANDERINGEN IN VERGELIJKING MET DE OPDRACHT

Dit stuk behandelt de spellingveranderingen in de nieuwe editie en schetst de relatie met de opdracht van de Taalunieministers.

1. De resultaten nader bekeken: de voornaamste aanpassingen

Zoals in het persbericht gemeld blijven de spellingregels onverminderd van kracht, op één kleine wijziging na. De derde uitzondering op de hoofdregel voor de tussen -n- wordt afgeschaft. Verder is voor problemen die de officiële voorschriften niet (volledig) regelen gezocht naar oplossingen die de gelijkvormigheid in gelijksoortige gevallen verhogen. Het gaat bijvoorbeeld om het gebruik van de hoofdletter en de schrijfwijze van leenwoorden.

Het aantal wijzigingen ten opzichte van de vorige editie is beperkt. Van de circa 110.000 woorden uit de editie 1995 komen er in de editie 2005 96.000 als trefwoord terug. Daarvan hebben er circa 2.7% een spellingverandering ondergaan.

1.1 De tussenletters -e-, -n- en -en- in samenstellingen

De derde uitzonderingscategorie op de hoofdregel voor de -n- is geschrapt. Ook als het eerste deel een dierennaam is en het tweede een plantkundige aanduiding, zoals in kattekruid, paardebloem, duivekervel (Woordenlijst, editie 1995, p. 25), komt er nu een -n-. Voortaan is het dus: kattenkruid, paardenbloem en duivenkervel. Het aantal veranderingen is beperkt: slechts 24 trefwoorden ondergaan hierdoor een wijziging.

Het besluit gaat, bij strikte interpretatie, in tegen de opdracht die aan de Werkgroep Spelling is verstrekt. Daarin is immers sprake van het handhaven van alle spellingvoorschriften. De Werkgroep heeft twee voorstellen aan het Comité van Ministers van de Taalunie voorgelegd, één binnen en één buiten de strikte toepassing van de opdracht. Dat één van de voorstellen een verandering van de voorschriften tot gevolg had, werd expliciet gemeld. De ministers hebben kennis genomen van de argumenten en op pragmatische gronden besloten om akkoord te gaan met het opheffen van de derde uitzonderingscategorie.

Voor afschaffing pleitte dat de uitwerking in de Woordenlijst 1995 noodgedwongen al een belangrijke wijziging had ondergaan ten opzichte van het spellingbesluit van 24 oktober 1994. In dat besluit is sprake van 'samenstellingen met een dierennaam als eerste lid die als geheel een plant aanduiden'. Als voorbeelden worden gegeven kattekruid, paddestoel en paardekastanje. Deze regel bevat dus niet de voorwaarde dat het tweede lid zelf een plantkundige aanduiding behoort te zijn.

Die eis heeft de toenmalige Taaladviescommissie pas bij de samenstelling van de Woordenlijst voorgesteld, toen bleek dat veel volkse plantnamen ook een andere, letterlijke betekenis hebben: bijvoorbeeld leeuwe(n)bekje, bere(n)klauw, katte(n)staart. Toepassing van de oorspronkelijke uitzonderingscategorie zou hebben geleid tot een spellingonderscheid tussen de woordvormen in hun oorspronkelijke, letterlijke betekenis en de vormen in de overdrachtelijke betekenis als plantnaam. Dat werd als een ongewenst effect beschouwd en door aanscherping van het tweede lid van de samenstelling opgelost.

Tweede overweging is dat de formulering in de Leidraad niet bleek te stroken met de spellingbesluiten van het Comité van Ministers uit 1994. In de Leidraad is, ten onrechte, de eis weggevallen dat het geheel zelf een plantkundige aanduiding moet zijn. Daardoor is verwarring ontstaan over de spelling van paardenvijg en kreeftensla. Kreeftensla is geen slasoort maar een gerecht en dient daarom overeenkomstig andere gerechten met -n- geschreven te worden, zoals kreeftensoep. Eenzelfde redenering geldt voor paardenvijg.

Een deel van de plantnamen met een dierennaam als eerste deel volgt wel de hoofdregel (kattenstaart, berenklauw), een ander deel niet (paardebloem). Omdat bij voorkeur de hele categorie op dezelfde wijze behandeld moet worden, is er voor gekozen om de categorie onder de werking van de hoofdregel te laten vallen. De ervaring van de taaladviesdiensten heeft bovendien uitgewezen dat veel taalgebruikers juist met het toepassen van deze uitzondering moeite hadden.

De Werkgroep Spelling heeft ook de lijst met versteende samenstellingen beoordeeld. Uit die lijst zijn dronkeman, dronkelap en paddestoel geschrapt. Voor de eerste twee samenstellingen geldt dat het eerste deel voor de meeste taalgebruikers een duidelijke samenhang vertoont met dronken, bijvoorbeeld in de combinatie De dronken chauffeur werd onmiddellijk aangehouden. Paddenstoel wordt voortaan met -n- gespeld, overeenkomstig de beslissing om plantnamen onder de hoofdregels te laten ressorteren.

1.2 Verhogen gelijkvormigheid

De andere aanpassingen bevinden zich op woordniveau en passen in de opdracht van de ministers om waar mogelijk de gelijkvormigheid tussen ogenschijnlijk gelijksoortige gevallen te verhogen. Het gaat vooral om aspecten die in de officiële voorschriften niet of slechts oppervlakkig worden behandeld, zoals het gebruik van hoofdletters, de spelling van samenstellingen afkomstig uit het Engels en de vorming van sommige verkleinwoorden. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de heersende praktijk.

1.2.1 Hoofdletter

De belangrijkste wijziging in het hoofdlettergebruik is die voor de namen van volkeren. De Leidraad uit 1995 zegt dat afleidingen van aardrijkskundige namen een hoofdletter krijgen. Belg (> België), Noord-Hollander (> Noord-Holland) en Zuid-Afrikaan (> Zuid-Afrika) worden met hoofdletter geschreven maar kelt, azteek en eskimo niet. Het hoofdlettergebruik is uitgebreid tot alle geo-etnische namen, waardoor het voortaan ook Kelt, Azteek en Eskimo is. Hiermee is ook het voor veel mensen pijnlijke onderscheid tussen Palestijn en jood opgelost, want Jood krijgt nu ook een hoofdletter. Wordt niet een individu of het Joodse volk bedoeld, maar (een aanhanger van) de joodse religie, dan blijft de kleine j gehandhaafd. Het is immers ook christen, protestant, moslim, hindoe en katholiek.

Over aardrijkskundige namen zegt de Leidraad uit 1995 alleen dat ze een hoofdletter krijgen en dat die hoofdletter behouden blijft bij afleidingen van en samenstellingen met die namen. Op specifieke problemen gaat de Leidraad niet in. Een goed voorbeeld zijn namen die uit twee aparte delen bestaan, zoals Puerto Rico, New York, Sierra Leone. Hiervoor is nu expliciet aangegeven dat de spatie in afleidingen en samenstellingen blijft staan: Puerto Ricaanse, New Yorker, Sierra Leonereis. Ook hier is het weer de taaladviespraktijk die heeft uitgewezen dat veel gebruikers aan dergelijke handvatten behoefte hebben.

1.2.2 Los-, aaneen- of met koppelteken schrijven van samenstellingen uit het Engels

Het Nederlands kent een groot aantal leenwoorden die nog als vreemd worden gevoeld. Het zijn vooral de Engelse samenstellingen die voor problemen zorgen. De Engelsen schrijven de samenstellende delen los van elkaar, terwijl in het Nederlands aaneenschrijven de regel is. Vergelijk bijvoorbeeld het Engelse web site met de Nederlandse schrijfwijze website.

Die spanning leidt bij veel taalgebruikers tot twijfel. Daarom is ook hier gestreefd naar grotere gelijkvormigheid en wordt er onderscheid gemaakt tussen samenstellingen en woordgroepen. Bij samenstellingen vormen de delen een eenheid. Die eenheid blijkt ook vaak uit de uitspraak, waarbij de delen niet meer een apart woordaccent hebben, zoals in accountmanager (klemtoon op tweede lettergreep van account, niet meer op tweede lid). Bij woordgroepen is sprake van apart te onderscheiden delen, vaak met elk hun eigen woordaccent, zoals in electronic data processing of in world wide web. Woordgroepen worden ook in het Nederlands los geschreven, samenstellingen in principe aaneen.

Alleen in duidelijk omschreven gevallen worden vaste koppeltekens gebruikt, waarbij zoveel mogelijk de systematiek voor inheemse samenstellingen wordt gevolgd. Er komt een koppelteken bij klinkerbotsing (demi-john), als een van de delen een initiaalwoord, los teken of symbool is (e-mail), als het gaat om een koppeling van gelijkwaardige delen (singer-songwriter, Dow-Jones), als het linkerdeel no of non is (non-profit) en als het laatste deel een voorzetselbijwoord is (lay-out).

1.2.3 Problemen met verkleinwoorden

In een aantal gevallen levert de spelling van verkleinwoorden problemen op. Bij afkortingen en soortgelijke vormen (gsm, A4), als woorden eindigen op een klinker met een accentteken (procedé), twee vormen hebben (giraffe – giraf) of eindigen op een klinkerteken dat niet uitgesproken wordt (tompouce, cake). Voor deze problemen zijn heldere criteria geformuleerd die de taalgebruiker steun bieden.

Een speciaal geval zijn de woorden die eindigen op een u die wordt uitgesproken als oe. Voor woorden als haiku en tiramisu bestond tot nu toe geen duidelijke richtlijn of een verankerde spelling. Het verkleinwoord haikutje levert uitspraakproblemen op, omdat de u in een lettergreep is opgesloten, zoals in hutje. Verdubbeling van het klinkerteken (vgl. opaatje) is evenmin een oplossing omdat die een verkeerde uu-uitspraak oplevert (zoals in parapluutje). Omzetten in de Nederlandse is evenmin toegestaan, omdat dan de herkenbaarheid van het grondwoord wordt aangetast. Gekozen is voor haiku'tje en tiramisu'tje.

2. Relatie met de opdracht

In het spellingbesluit van het Comité van Ministers van de Taalunie van 21 maart 1994 werd niet alleen besloten tot de uitgave van een nieuwe, officiële Woordenlijst Nederlandse Taal (art. 2) maar ook tot het verschijnen van een tienjaarlijkse aangepaste editie zonder wijziging van de spellingregels (art. 12). Het betreffende artikel luidt als volgt:

12. Na de totstandkoming van de eerste editie van de nieuwe, officiële Woordenlijst zal deze lijst actueel worden gehouden door om de tien jaar een aangepaste editie zonder wijziging van de spellingregels te laten verschijnen, waarin in onbruik geraakte woorden worden geschrapt en nieuwe woordvormen worden opgenomen. Hierdoor zal de Woordenlijst haar betrouwbaarheid en volledigheid als normgevende publikatie maximaal behouden. Met behoud van de verantwoordelijkheid van het Comité van Ministers, draagt het Comité van Ministers de zorg voor de samenstelling van de volgende edities van de woordenlijst op aan de onder de Nederlandse Taalunie ressorterende Taaladviescommissie. In deze commissie zijn alle relevante partijen zoals taalwetenschappers, auteurs, journalisten, uitgevers en taaldidactici vertegenwoordigd.

Hiermee wilde de Taalunie voorkomen dat de nieuwe Woordenlijst eenzelfde lot zou treffen als de Woordenlijst van 1954. Van die publicatie is nooit een aangepaste editie verschenen. Voor de vele honderden nieuwe woorden die sinds 1954 in gebruik waren gekomen, was dan ook geen enkele spellingrichtlijn. Te denken valt aan de vele woorden uit de informatietechnologie.

Op 8 oktober 2001 herbevestigde het Comité van Ministers het besluit van 1994 dat het een herziening zonder wijziging van de spellingregels moest betreffen. Het Comité van Ministers heeft bij dat besluit een lijst van aspecten vastgesteld die geacht werden binnen de herzieningsopdracht te vallen, met uitsluiting van alle andere.

Het besluit van 8 oktober 2001 luidt als volgt:

Ten aanzien van de herziening van de Woordenlijst Nederlandse taal (Groene boekje), bevestigt het Comité van Ministers hetgeen is bepaald in artikel 12 van zijn besluit d.d. 21 maart 1994. Zulks betekent dat de herziening geen aanleiding mag geven tot wijzigingen aan de van kracht zijnde officiële spellingvoorschriften, zoals vastgelegd in de besluiten van het Comité van Ministers van 21 maart 1994 en van 24 oktober 1994, en in de wetten, decreten en officiële besluiten van de Hoge Verdragsluitende Partijen. Het geeft aan de algemeen secretaris opdracht om de uitvoerende partijen over de aard en omvang van de herziening te instrueren en om hierover met het Comité van Ministers nader af te stemmen.

De lijst van herzieningsaspecten is opgenomen in een aparte toelichting bij het bovenstaande besluit:

- Ten aanzien van de herziening van de Woordenlijst Nederlandse taal (Groene boekje) bevestigt het Comité van Ministers tijdens zijn 55e vergadering d.d. 8 oktober 2001 hetgeen terzake is bepaald in artikel 12 van zijn besluit inzake de spelling d.d. 21 maart 1994.
- Ten behoeve van een accurate instructie aan de algemeen secretaris, besluit het Comité van Ministers, als aanvulling op en verduidelijking van het bovengenoemde besluit van 21 maart 1994, dat de volgende aspecten - met uitsluiting van alle andere - geacht worden onder de herziening te ressorteren:
a. Het schrappen van woorden en woordvormen in de woordenlijst die, blijkens de gegevens van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie, inmiddels in onbruik zijn geraakt;
b. Het toevoegen van woorden en woordvormen in de woordenlijst die, blijkens de gegevens van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie, inmiddels in het taalgebruik zijn doorgedrongen;
c. Het rechtzetten van zetfouten in de Leidraad en de woordenlijst;
d. Het verbeteren van foutieve formuleringen in de Leidraad, met name van fouten en omissies ten aanzien van de regels zoals vastgesteld in het besluit inzake spelling van 21 maart 1994 van het Comité van Ministers, evenals het besluit van 24 oktober 1994 ten aanzien van de uitgangspunten voor de samenstelling van de spellinglijst en van de nadere herformulering van de voorschriften voortvloeiend uit het spellingbesluit van 21 maart 1994;
e. Het verbeteren en zo mogelijk wegwerken van tegenstrijdigheden tussen woordbeelden in de Leidraad en ingangen in de woordenlijst;
f. Het verbeteren van fouten en onbedoelde effecten in de woordenlijst als gevolg van eerdere foutieve formuleringen zoals bedoeld in (d);
g. Het verbeteren van de coherentie in Leidraad en woordenlijst van ogenschijnlijk gelijksoortige gevallen;

- steeds voor zover de bovenstaande aspecten geen aanleiding geven tot wijzigingen aan de van kracht zijnde officiële spellingvoorschriften, zoals vastgelegd in de besluiten van het Comité van Ministers van 21 maart 1994 en van 24 oktober 1994, en in de wetten, decreten en officiële besluiten van de Hoge Verdragsluitende Partijen.

Het Comité van Ministers geeft aan de algemeen secretaris de opdracht om de bij de uitvoering betrokken instanties over dit besluit te instrueren [volgens bovenstaande taken (a) tot en met (g)], om toezicht uit te oefenen op de strikte naleving ervan en om in twijfelgevallen en interpretatieverschillen tussen betrokkenen hierover aan het Comité van Ministers te rapporteren en om jaarlijks een voortgangsrapportage aan het Comité van Ministers voor te leggen.

Inmiddels was de in het besluit van 1994 genoemde Taaladviescommissie opgeheven. De zorg voor de samenstelling van de volgende editie, werd daarom overgedragen aan een nieuw ingestelde Werkgroep Spelling. De werkgroep werd als permanente commissie toegevoegd aan de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, het verdragsrechtelijk adviesorgaan van de Nederlandse Taalunie. Het besluit over de Werkgroep Spelling luidt als volgt:

Het Comité van Ministers besluit de zorg voor de samenstelling van de volgende edities van de Woordenlijst Nederlandse taal, die krachtens artikel 12 van het spellingbesluit van 1994 werd opgedragen aan de Taaladviescommissie van de Nederlandse Taalunie, met behoud van de verantwoordelijkheid van het Comité van Ministers over te dragen aan de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren. Voor de inhoudelijke ondersteuning van de samenstelling van volgende edities van de Woordenlijst belast de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren de Werkgroep Spelling, die tot op heden onder de Taaladviescommissie ressorteerde. Het Comité van Ministers verleent zijn akkoord onder de voorwaarde dat de werking van, en de wisselwerking met de Werkgroep Spelling expliciet in de Statuten van de Raad worden opgenomen.

De Werkgroep Spelling is aan de uitvoering van de herzieningopdracht begonnen op 5 februari 2003. Op 26 januari 2005 heeft hij zijn taak voorlopig afgerond. In totaal heeft de Werkgroep 19 keer voltallig vergaderd.

Het Comité van Ministers werd voortdurend op de hoogte gehouden van de stand van zaken. Op elke ministervergadering lag een voortgangsrapport van de Werkgroep ter bespreking voor en werd het Comité van Ministers gevraagd om partiële herzienings-resultaten tussentijds goed te keuren. Het doel van de die tussentijdse validering was om in een zo vroeg mogelijk stadium een zo groot mogelijke zekerheid te krijgen over de herzieningsvoorstellen. Dat werd noodzakelijk geacht omdat herziening van de Woordenlijst een veeleisend werk is dat grote nauwkeurigheid vergt. Een ministerbesluit aan het einde van het traject zou te riskant voor de planning zijn. Tussentijdse validering was ook noodzakelijk om andere producenten van gezaghebbende bronnen op het gebied van spelling, bijvoorbeeld woordenboeken en spellingcheckers, in een vroeg stadium over de resultaten te informeren.

Het Comité van Ministers heeft zich in augustus 2003 akkoord verklaard met de hierboven beschreven procedure. De Werkgroep Spelling heeft in totaal 4 tussentijdse rapporten aan het Comité van Ministers voorgelegd, het eerste in augustus 2003, het laatste op 25 april 2005.
© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties