Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 5

De kennis van het Nederlands bij buitenlanders en de toetsing en certificering ervan, enkele voorlopige opmerkingen
F. Montens en A.G. Sciarone
1985
40 pagina's

nucwci uczic gegevens iucls neggen uvci uc ü.ciiiiis van net ïicucnanuï

bij buitenlanders, is het wellicht niet overbodig erop te wijzen dat, wanneer geen enkele buitenlander Nederlands zou kennen, 1 op de 21 a 25 mensen in Nederland niet in staat zou zijn met zijn Nederlands talige medeburgers in het Nederlands te communiceren. Gezien de on gelijkmatige spreiding van buitenlanders over Nederland, zou die verhc ding in gebieden waar relatief veel buitenlanders wonen (de grote steden), nog veel ongunstiger liggen.

3.2. De verplichting tot voldoende kennis van het Nederlands

Zodra men de noodzaak van voldoende kennis van het Nederlands be leidsmatig onderschrijft, zal men die kennis voor buitenlanders 'verplicht' willen stellen.

Verplichtstelling is vanuit het geschetste perspectief onvermijdelijk omdat buitenlanders — ondanks de maatschappelijke noodzaak van vo doende kennis van het Nederlands en zelfs wanneer zij materieel de dividuele of collectieve mogelijkheden hebben die te verwerven — dit op 'vrijblijvende' basis niet (of slechts over een zeer lange periode) b ken te doen. Zoals gezegd zullen zij dan in communicatief opzicht n 'normaal' (of over diezelfde lange tijd slechts gebrekkig) kunnen func tioneren. Bij de term 'verplichtstelling van voldoende kennis van het Nederlands' moet men dan ook niet denken aan het van boven af o] leggen van 'onredelijke' eisen, maar aan iets dat overeenkomt met de algemene verplichting tot het volgen van het Lager Onderwijs: een ve plichting die erkenning inhoudt van het feit dat iedereen over bepaal minimale kennis moet (kunnen) beschikken.

Argumenten tegen verplichtstelling van voldoende kennis van het Nederlands vertonen dan ook meestal sterke overeenkomst met de arj menten tegen verplicht Lager Onderwijs zoals die in het verleden wei den aangevoerd. De vrees dat de verplichtstelling van voldoende kerm van het Nederlands zou kunnen worden misbruikt als middel tot sele tie, miskent het feit dat dit a fortiori het geval is bij afwezigheid va voldoende kennis van het Nederlands. Een beroep op de persoonlijke vrijheid gaat voorbij aan het feit dat men om vrijheid in een gegevei maatschappij concreet gestalte te kunnen geven, tenminste moet bescl ken over die noodzakelijke voorwaarden waarzonder in die maatschap

19

Nederlandse Taalunie