De kennis van het Nederlands bij buitenlanders en de toetsing en certificering ervan, enkele voorlopige opmerkingen
F. Montens en A.G. Sciarone
1985
40 pagina's
Zoals we hebben gezien (paragraaf 3.4) wordt aan universitaire instellingen en détail gepleit voor een betere opvang van buitenlandse adspi rant-studenten, met name wat betreft het onderwijs Nederlands als tweede taal. Hoewel dergelijke pleidooien ook veelvuldig gehouden woi den ten aanzien van de bestaande faciliteiten voor de categorieën met een lagere vooropleiding, heeft men daar in de praktijk veelal te maken met het feit dat het onderwijs Nederlands er door ondoelmatighei (geringe tot zeer geringe intensiteit, het opeenpakken van probleemgroi pen met dezelfde moedertaal, geringe hoeveelheid beschikbare tijd bij met name werkende cursisten), gebrek aan goede leermiddelen (zowel in het algemeen, omdat die leermiddelen voor bepaalde specifieke groe pen eenvoudigweg niet bestaan, als in de praktijk, omdat leerlingen 'geen eigen boek hebben', aangezien men werkt met een budget per klaslokaal) en door gebrek aan vakbekwame leerkrachten telkenmale verwordt of dreigt te verworden tot een variant in Nederland van het onderwijs Nederlands als vreemde taal in het buitenland (zie paragraaf 2.3), met alle rampzalige gevolgen van dien.
Slechts een vluchtige kennismaking met de faciliteiten uit het in paragraaf 3.5 gegeven indicatieve overzicht zal een ieder duidelijk maken dat deze voor optimalisatie vatbaar zijn. Pogingen tot een dergelij ke optimalisatie van (het gebruik van) de faciliteiten moeten een duid lijke richting krijgen.
Wanneer men de noodzaak van voldoende kennis van het Nederlands voor iedereen onderschrijft en daartoe mede wil komen tot een algemene toetsing van alle buitenlanders met de bijbehorende door de overheden in Vlaanderen en Nederland geldig verklaarde certificering, kan men niet anders dan besluiten tot het in eerste instantie verplichl onderwijzen van één enkel algemeen niveau van het Nederlands (het n veau van talige 'zelfredzaamheid' zoals dat in paragraaf 2.5 is aangeduid). In tegenstelling tot een gangbaar vooroordeel stemt dit overeen met het feit dat iedereen (en dus ook, zo niet vooral de niet of laag geschoolden) deze kennis nodig heeft en kan verwerven.
Het onderwijs in dit algemene niveau moet, wil men de eindken-nis ervan voor iedereen op verantwoorde wijze verplicht kunnen stelle] ook voor iedereen toegankelijk zijn: zonder werkelijke mogelijkheid zich kennis eigen te maken, is verplichtstelling van die kennis en de
33