Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 3

Spelling en spellingregeling, wettelijke en bestuurlijke aspecten
J. de Rooij en W. Haeseryn
1985
24 pagina's

afwijkingen van de Woordenlijst niet over te nemen.

20                      4

Voor wie wordt er geregeld?

In de Spellingwet-1947 wordt duidelijk aangegeven dat de daarin vermelde voorschriften gelden voor twee sectoren van de maatschappij, die we kortheidshalve kunnen aanduiden als 'overheid' en 'onderwijs' (artikel 2, resp. artikel 3 en 4; voor de teksten daarvan zie hieronder). Deze sectoren worden ook genoemd in het Belgische besluit van 1946 (artikel 1; zie voor de tekst daarvan eveneens hieronder).

Bij de bestudering van de hierboven in paragraaf 3.2 genoemde Nederlandse 'uitvoeringsbepalingen', de ministeriële circulaires die voor de genoemde sectoren van de maatschappij bestemd waren, valt echter iets op waaraan in 3.2 geen expliciete aandacht is besteed, nl. dat ze belangrijke verschillen te zien geven. De verschilpunten zijn:

•   de overheid moet zich aan de voorkeurspelling houden; voor het onderwijs geldt dat in beginsel ook, maar 'het gelijkmatig gebruik van de andere spelling wordt [... ] niet als fout aangemerkt'

•   de overheid dient de 'v.(m.)-woorden' als vrouwelijk te behandelen; bij het onderwijs geldt dit alleen voor de zg. 'eer- en deugd-groep' (Woordenlijst, blz. xxix).

Eenvoudig geformuleerd zouden we dus kunnen stellen dat aan de overheidsdienaren hogere eisen gesteld worden dan aan de schooljeugd. Redenen hiervoor lijken niet moeilijk te vinden: enerzijds hebben ambtenaren hun opleiding voltooid en voor een beroep gekozen waarin ze veel met (geschreven) taal te maken hebben, terwijl scholieren nog met hun opleiding bezig zijn en velen van hen na hun schooltijd weinig meer zullen schrijven; anderzijds is 'de taal van Den Haag' van nature traditioneler, wat in overeenstemming is met de gegeven bepalingen, terwijl de taal van de school veel meer die van 'gans het volk' is, althans zou moeten zijn.

Misschien is er echter nog een andere factor in het spel. In De spelling van de Nederlandse laai lezen we op blz. 82-83: 'In Nederland kon - als gevolg van de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs - aan de scholen niet de verplichting worden opgelegd tot het gebruiken van de ambtelijk voorgeschreven voorkeurspelling'. (Blijkens deze formulering en de context gold dit niet voor België.) Zijn de bepalingen in de circulaire voor het onderwijs om deze reden zo soepel?

Als dit waar is, als de regering dus in spellingzaken bepaalde

Nederlandse Taalunie