Het Certificaat Nederlands en Nederlands als Tweede Taal
L. Beheydt
1987
52 pagina's
binden tot een tekst en zich beperken tot een elementaire woordenschat. Het meerkeuzeonderdeel moet ze verplichten om de grenzen van hun kunnen te tonen. In hetzelfde licht moet ook het invulgedeelte bij de schrijfvaardigheid uitgebreide kennis bezien worden. Samenvattend kunnen we dus stellen dat de beheersingsniveaus in het Certificaat zowel in communicatief als grammatisch opzicht expliciet gedefinieerd zijn. Aangezien het concrete taalgebruik daarbij als uitgangspunt dient, levert de niveauomschrijving veeleer een feitelijke dan een abstracte taalgebruiksdefinitie op.
2.3 Directe toetsing
Een tweede kenmerk van de toetsen van het Certificaat is dat het directe toetsen zijn. Dat wil zeggen dat de toetsen op een directe wijze proberen de leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid af te bakenen. Er is dus gekozen voor een aparte toetsing van de vier vaardigheden. Vooral in het licht van de bestaande controverse tussen aanhangers van de 'globale vaardigheid' en aanhangers van de 'deelvaardigheden' vergt deze keuze enige toelichting. Aanhangers van de 'globale taalvaardigheidshypothese' menen dat taalvaardigheid één en ondeelbaar is, dat het nutteloos en zelfs onzinnig is om de vier vaardigheden afzonderlijk te toetsen aangezien men hoe dan ook de ene, ondeelbare 'algemene taalvaardigheid' meet (Oller 1979).
Nu wensen wij het bestaan van een algemene taalvaardigheid niet te ontkennen. Er is ook in onze toetsresultaten zeker globaal voldoende statistische overeenstemming (zie Verslag Examens 1984; Statistische analyse Basiskennis 1981) om aan te nemen dat er zoiets bestaat als 'algemene taalvaardigheid'. Maar van die vaststelling naar de hypothese dat elke taalvaardigheidsmeting het ene, ondeelbare taalvermogen meet, lijkt ons een onverantwoorde generalisatie.
Er is immers vooralsnog onvoldoende empirisch bewijsmateriaal voor de 'algemene-taalvaardigheidshypothese' (Unitary Competence Hypothesis (uch)) (Vollmer 1981). En het bewijsmateriaal dat er wel is, blijkt bovendien van een dubieuze kwaliteit (Raatz 1982, Lee 1984, Vollmer 1983). Een kritisch onderzoek van het bestaande bewijsmateriaal leidt Vollmer tot de conclusie dat 'The uch could not be upheld' (1983,17). Zelfs Oller, die de belangrijkste vertegenwoordiger was van de algemene-taal-vaardigheidshypothese, geeft in een recent artikel toe dat 'The idea of an exhaustive global factor of language proficiency was wrong' (Oller 1983,35) en hij voegt er ironisch aan toe 'I am happy to join Vollmer in shovelling a bit of ceremonial dirt into the hole where the old uch now lies buried' (1983,37). De idee van het ondeelbare algemene taaiver-