Het Certificaat Nederlands en Nederlands als Tweede Taal
L. Beheydt
1987
52 pagina's
o----------- "--------------------------------------------o---------------------■------------------------j------------------------------------------------
(Verslag examens 1984) blijkens de Scheefheidstest en de Kurtosistest van de scorecurve, voldeed aan de psychometrische eisen m.b.t. moeilijkheidsgraad.
2.5 Beoordeling en normering
Een andere vraag die men zich omtrent de examens kan stellen is: hoe wordt er beoordeeld? Die vraag krijgen wij de laatste jaren steeds vaker en het is ook een terechte vraag. Kandidaten en examinatoren moeten weten wat de criteria zijn die gehanteerd worden bij de beoordeling.
Ideaal zou zijn als wij voor elk examen vooraf konden vaststellen wat het criterium is dat een kandidaat moet halen om geslaagd te zijn, of anders gezegd: dat wij onafhankelijk van de door de verschillende kandidaten behaalde resultaten bij voorbaat konden bepalen welke score een kandidaat moet behalen om te slagen (vgl. Cziko 1982,368; Van Els e.a. 1984,318). Deze ideale criterium-gerichte manier van beoordelen is echter voor examens als die van het Certificaat onmogelijk toe te passen. Immers, de toetsresultaten die door de kandidaten worden behaald, zijn niet alleen afhankelijk van de kennis van de kandidaten, maar evenzeer van de moeilijkheidsgraad van de toetsen. Zelfs al zouden wij erin slagen uit de doelstellingen af te leiden wat wij in termen van scores als criterium voor slagen/zakken beschouwen, dan blijft nog altijd de moeilijkheidsgraad van het examen een onbekende. En vanwege de reeds genoemde diversiteit van de doelgroep is die moeilijk in te schatten. Dat probleem heeft het examen van het Certificaat overigens gemeen met andere 'centrale examens'. Zo slaagt ook het cito er niet in om ondanks de grotere homogeniteit van zijn doelgroep volledig criteriumgerichte toetsen te ontwerpen. Ook bij het cito ziet men zich genoodzaakt relatief te normeren voor de landelijke examens: 'Tot nu toe blijkt de zg. relatieve normering waarbij op basis van de rangorde van de leerlingen en de gebleken moeilijkheid van het examen een grens voldoende-onvoldoende wordt vastgelegd, de voor de leerlingen meest rechtvaardigde methode' (Ipema & Maas-De Brouwer 1974,353).
De moeilijkheidsgraad van het Certificaatsexamen is mede zo moeilijk vooraf vast te stellen, omdat de examens van het Certificaat niet vooraf uitgetest worden. Dat is om verschillende redenen niet mogelijk. Ten eerste is dat met de huidige bestaffing en binnen de strakke timing van de certificaatsactiviteiten materieel onmogelijk. Ten tweede is het vrijwel niet doenlijk een representatieve steekproef samen te stellen voor de toets-populatie. De doelgroep van de toetsen is zo heterogeen dat het onmogelijk is er een statistisch betrouwbare representatieve steekproef voor te vinden. Ten derde lijkt het ons in verband met de geheimhouding van de examenopgaven veiliger om dat niet te proberen.