Het Certificaat Nederlands en Nederlands als Tweede Taal
L. Beheydt
1987
52 pagina's
iiLULiiauu en in v laaiiucicii zijn ei verscmiienae graaen van Denoeite aan etnische identiteit vast te stellen. Een grote behoefte aan etnische identiteit blijkt daarbij doorgaans samen te gaan met een hoge mate van behoud van de eigen taal en een beperkt gebruik van het Nederlands (De Bot e.a. 1985). Afhankelijk van het identificatiepatroon van de groep of van het individu zouden we dan te maken hebben met nvt of met ntt.
De tweede opvatting is realistischer omdat ze uitgaat van het verschil in leersituatie dat automatisch een verschil in leerproces met zich meebrengt. Een taal leren buiten de taalgemeenschap verloopt noodgedwongen anders dan een taal leren binnen de taalgemeenschap waarin die taal als moedertaal fungeert. Het verschil dat daarbij het meest in het oog springt is het verschil in aard en mate van taalaanbod. Wie in Nederland ntt leert heeft uiteraard een ruimer contact met het concrete gebruik van het Nederlands dan een buitenlander die in zijn eigen land een cursus nvt volgt. Volgens recente opvattingen (Krashen 1981) zou daar een verschil in leerproces mee gepaard gaan. Bij het leren van ntt zou het taalleerproces veel meer gelijken op het eerste-taalverwervingsproces. Krashen maakt daarbij het onderscheid tussen taai-leren en taai-verwerven. 'Verwerven' is een spontaan proces waarbij de taal zonder grammaticale ex-plicitatie wordt 'opgepikt', terwijl 'leren' geschiedt met behulp van bewuste grammaticale studie van de taal. Een taal wordt volgens Krashen in de eerste plaats 'verworven' op grond van geschikte input, terwijl 'geleerde' regels slechts dienen als een superviserende monitor die de output min of meer onder controle houdt. Bij het leren van ntt krijgt de taalleerder relatief meer taalaanbod te horen, zodat zijn taalverwerving vrijwel natuurlijk en onbewust kan verlopen. Bij het leren van nvt is het taalaanbod noodgedwongen beperkt en zal dus de bewuste monitor een grotere rol spelen. Aldus zou volgens Krashen bij het leren van ntt het leerproces veel sneller en veel vlotter moeten verlopen dan bij het leren van nvt. Toch zien we dat deze voorspelling niet altijd door de feiten bewaarheid wordt (cf. Appel e.a. 1982).
Ook bij het leren van ntt in een immersiesituatie (Baetens Beardsmore 1981, 213), d.w.z. in een situatie waarbij het Nederlands de courante standaardtaal is van de taalgemeenschap waarin de taalleerders leven, zien we grote verschillen in de mate van beheersing van ntt. Het is opmerkelijk dat bijvoorbeeld van huis uit Franstaligen die in het Nederlands school gelopen hebben over het algemeen als vrijwel echte tweeta-ligen kunnen worden beschouwd, terwijl heel wat immigranten die al jarenlang in Vlaanderen of Nederland wonen nog altijd slechts over een minimale redzaamheid in het Nederlands beschikken.
Er moet dus kennelijk nog met andere factoren rekening worden gehouden dan met het verschil in leersituatie. En het is dus niet zo dat het leren van ntt noodzakelijk betere resultaten oplevert dan het leren van nvt. Interferende factoren die onderhand voorwerp van discussie zijn ge-