Voorzetten online

Zoeken naar:

Voorzetten 47

Verwantschap en verscheidenheid, Het Secundair Onderwijs in Vlaanderen, het Voortgezet Onderwijs in Nederland - een vergelijking


1995
212 pagina's

van Koning Willem I. Vanaf dat moment beleven België en Nederland voor korte tijd een gezamenlijk verleden, dat duurt tot 1830. We beginnen dan ook met een afzonderlijke beschrijving van de situatie in de 'Noordelijke Nederlanden' en in de 'Zuidelijke Nederlanden'. Vervolgens geven we een korte schets van de periode waarin beide verenigd waren.

1.1  Noordelijke Nederlanden: Latijnse en Franse scholen

Vóór 1830 kennen de Noordelijke Nederlanden twee vormen van voortgezet onderwijs, te weten de Latijnse en de Franse scholen. De Latijnse scholen bereiken een hoogtepunt in de zeventiende eeuw. Het beleid is in handen van de stadsbestu ren. De Franse scholen ontwikkelen zich gedurende de achttiende eeuw uit handelsscholen tot scholen voor algemeen voortgezet onderwijs. Het onderwijs verbreedt zich - naast Frans en handelsrekenen - met aardrijkskunde, geschiedenis wis- en natuurkunde. Naarmate de vakken die de Latijnse scholen boden steeds minder inspelen op de moderne, mede door de wetenschappen bepaalde maatschappij, groeit het aantal Franse scholen. Reeds aan het einde van de achttiende eeuw heeft dit schooltype een veel grotere aantrekkingskracht dan de Latijnse school.

Het is belangrijk te vermelden dat de Latijnse school steeds als een vorm van hc ger onderwijs werd beschouwd. Volgens het Koninklijk Besluit van 1815 is de Latijnse school dé exclusieve voorbereiding op de universiteit. Hoofdvakken zijn Latijn en Grieks, bijvakken oude en nieuwe geschiedenis, oude en nieuwe aardrijkskunde, mythologie en wiskunde.

Tegen het einde van de achttiende eeuw zijn er ook enkele beroepsopleidingen tot ontwikkeling gekomen. Er vormen zich tekenscholen (lager niveau) en tekenacademies (middelbaar/hoger niveau). Ook zijn er enkele industrie-, spin- en werkscholen te signaleren, waar de leerlingen (uit sociaal-economisch lagere milieus) vooral leren 'werkzaam' te zijn. Aan enkele universiteiten is een opleiding tot militair en/of civiel technicus verbonden.

Lang voor die tijd, in de periode 1400 tot 1600, was het gilde-onderwijs al ontstaan als eerste vorm van beroepsonderwijs. Bakkers, brouwers, metselaars, wevers en alle andere middeleeuwse beroepsbeoefenaars moesten tot een adequate uitoefening van hun beroep in de praktijk worden opgeleid. Van een vorm van institutionalisering zoals bij het algemeen onderwijs was echter geen sprake.

1.2  Zuidelijke Nederlanden: de Latijnse school

In de Zuidelijke Nederlanden is de Latijnse school dominant. De Latijnse scholen in België worden - in tegenstelling tot het Noorden - steeds door de geestelijke overheid bestuurd. Met de Jezuïeten als grondleggers bereiken ze een hoogtepunt in de zestiende en zeventiende eeuw. De druk op deze scholen (vanaf de zeventien de eeuw) om meer moderne vakken op te nemen, resulteert aanvankelijk niet zozeer in een nieuw schooltype - zoals de Franse school in het Noorden - maar eerder in het geleidelijk toevoegen van nieuwe vakken aan het aloude vakkenpak-