Voorzetten online

Zoeken naar:

Voorzetten 47

Verwantschap en verscheidenheid, Het Secundair Onderwijs in Vlaanderen, het Voortgezet Onderwijs in Nederland - een vergelijking


1995
212 pagina's

De overheidsuitgaven voor onderwijs worden drastisch beperkt. In niet mindere mate wordt het onderwijs ook toenemend uitgenodigd zich aan te passen aan het complexe en pluralistische karakter van de samenleving.

Zowel in Nederland als in België zoekt men naar een geschikte inhoudelijke ei structurele invulling van de eisen die als gevolg van dit alles ten aanzien van het onderwijsstelsel worden geformuleerd. Deze maatschappelijke veranderingen en eisen hebben waarschijnlijk ook invloed op de verlenging van de leerplicht, hoewel het hierbij in eerste instantie om een economische maatregel gaat (zie hoofdstuk 2).

4.1 België

In 1969 wordt bij wijze van experiment in Wallonië het Vernieuwd Secundair Oi derwijs (VSO) ingevoerd; Vlaanderen volgt in 1970. Voor België als geheel won over de Wet op het VSO gestemd op 19 juli 1971.

Dit VSO moet een (gematigd) comprehensief onderwijssysteem worden dat he historisch gegroeid, categoriaal onderwijsstelsel vervangt. De comprehensieve grondgedachte vinden we terug in één van de resoluties van 1969. Daarin wordt gesteld dat 'een stelsel van algemeen en niet-selectief secundair onderwijs, dat a< leerlingen met verschillende begaafdheid en uit verschillende sociale kringen de ruimste mogelijkheden biedt om aan de gemeenschappelijke activiteiten deel te n men, het beste middel is om dat doel te bereiken' (De Keyser, & D'Hoker, 1984-1985, p. 35).

De vernieuwing, geïnspireerd door de adviezen van de Raad van Europa in 1968 en 19692, wordt door verschillende ministers voorbereid. De Raad adviseert ondï andere een structurering in drie cycli.

Via de Wet van 1971 krijgt de eenwording van het secundair onderwijs (het algemeen vormend, technisch en kunstonderwijs) gestalte. Drie cycli van telkens twee jaar volgen elkaar op: de observatiecyclus, de oriëntatiecyclus en de determ natiecyclus. De eenwording betreft zowel de gelijkstelling van de oude en de moderne humaniora, als van het algemeen vormend en het technisch onderwijs.

Een gemeenschappelijke basisvorming moet het uitstellen van de definitieve keuze voor een of andere studierichting uitstellen tot de leeftijd van 15 a 16 jaar. Verder zijn er niet alleen overgangsmogelijkheden voorzien tussen het algemeen vormend en het technisch onderwijs, maar ook vanuit deze twee naar het beroeps onderwijs.

Wat betreft de invoering van het VSO in de praktijk, stellen we grote verschillen vast tussen de verschillende netten (het rijks- en het vrij onderwijs) en tussen Vlaanderen en Wallonië.

2

Onderwijsstage van de Raad van Europa in Düsseldorf. Europese conferentie van de ministers van N tionale Opvoeding.