Veelstemmig akkoord, Naar een nieuwe literatuurgeschiedenis
Red.: H.Bekkering en A.J. Gelderblom
1997
128 pagina's
Methodologische diversiteit
Reactie M.A. Schenkeveld-van der Dussen
Als tweede respondent treedt op mevrouw M.A. Schenkeveld-van der Dussen (hoogleraar Nederlandse historische letterkunde na 1500 aan de Universiteit Utrecht).
Ik constateer dat Dirk De Geest zojuist een heel compacte en rijke voordracht heeft gehouden. Ik zal op enkele onderdelen van zijn betoog ingaan. Ook ik, vanuit de historische letterkunde werkend, heb met de genoemde functionalistische aanpak in beginsel niet veel moeite. Wij doen het al jaren zo, zij het niet exclusief. Dat neemt niet weg dat hieraan, tegen de achtergrond van een samenvattende literatuurgeschiedenis, grote problemen vastzitten. Omdat ik van concrete voorbeelden houd, wil ik enkele toevallige casussen vermelden waarbij die problemen naar voren komen. Ik zal daarbij zoveel mogelijk van De Geests terminologie uitgaan. De eerste casussen hebben betrekking op personen en dat komt, mede gelet op het voorgaande, in zekere zin neer op een standpuntbepaling. Immers, ik zou in de literatuurgeschiedenis graag de schrijvers centraal willen houden. Daarnaast is er de casus betreffende de literatuur van vrouwen, een onderwerp waarmee ik mij thans bezighoud.
Het eerste concrete probleem heeft betrekking op Vondels toneel. Als ik de notities van De Geest volg, kom ik bijvoorbeeld een vraag tegen als: welke genres, teksten en auteurs werden en worden - tussen 'werden' en 'worden' zit al een enorme crux - belangrijk gevonden als hoogtepunten en modellen? Dan gaat het om vertogen en netwerken. Als het nu om vertogen gaat, dan weet iedereen dat Vondel daar met zijn 'Berechten' zelf het nodige heeft gedaan. Hij heeft zijn werk op ambitieuze wijze geplaatst in het grote geheel van de toenmaals moderne toneelliteratuur. Daar zijn die prachtige diepdoordachte stukken als Jeptha, Lucifer en Adam in ballingschap voorbeelden van. In Vondels eigen tijd is dat laatste stuk nooit opgevoerd. Anders geformuleerd: de door Vondel bedoelde communicatiesituatie is blijkbaar niet totstandgekomen. Een belangrijke culturele instantie van toen, de schouwburgleiding, vond het blijkbaar niet erg interessant. Het aantal drukken is klein. In het jaar van verschijning zijn het er twee. Dan duurt het 34 jaar - een hele generatie - voor er weer eentje komt. Van dan af is er alleen nog maar plaats voor in het kader van Vondels verzamelde werken. Je zou kunnen zeggen dat zo'n stuk in de literatuurgeschiedenis dus overgeslagen kan worden. Voor de beeldvorming van Vondel heeft het namelijk nauwelijks iets betekend; in de eigen tijd werd het als passé beschouwd. Maar aldus redenerend mist men in de eerste plaats een belangrijke literair-historische lijn: de imitatio van het Neolatijnse werk van Grotius, Adamus exul, in de tweede plaats een stuk dat een belangrijke kijk geeft op Vondels eigen gedachtegoed en in de derde plaats een nieuwe receptie die in onze eigen tijd heeft geleid tot een heel eigen interpretatie van het drama door Hans Croiset en Guus Rekers. De Geest noemt dat recontextualisering.
Mutatis mutandis geldt iets vergelijkbaars voor een auteur aan wie ik mijn hart heb verpand: Jan Six van Chandelier, de auteur van één boek: een bundel gedich-
31