Veelstemmig akkoord, Naar een nieuwe literatuurgeschiedenis
Red.: H.Bekkering en A.J. Gelderblom
1997
128 pagina's
Veelstemmig akkoord
Lezing H. Brems
Als derde spreekt in dit blok de heer H. Brems (hoogleraar Nederlandse letterkunde van de twintigste eeuw aan de Katholieke Universiteit Leuven).
Het probleem van de geledingen in de literatuur kan men in een aantal gevallen zien als een uitloper van dat van de grenzen. Men zou dan kunnen stellen dat overal waar wij op een mogelijke grens stuiten, er aan de andere kant van die grens tevens een min of meer aparte geleding kan beginnen. Dat bleek al duidelijk uit de uiteenzettingen van mijn voorgangers, Willaert en Paasman, maar men kan ook denken aan verschijnselen zoals de Neolatijnse literatuur in Middeleeuwen en Renaissance, de Franstalige literatuur in de achttiende eeuw, Franstalige auteurs in Vlaanderen in het fin de siècle en in het begin van de twintigste eeuw. Maar ook aan de randen van het concept 'literatuur' zelf kunnen geledingen beginnen, zoals sciencefiction of jeugdliteratuur. In een beperktere zin wil ik de term hier reserveren voor wat wij ook segmenten of deelgebieden van de Nederlandse literatuur zouden kunnen noemen; ik bedoel daarmee min of meer afbakenbare domeinen, die deels een eigen ontwikkelingsdynamiek volgen of via eigen kanalen en instituties functioneren. Men kan daarbij denken aan geledingen volgens zulke uiteenlopende criteria als genre, ideologische zuil of zelfs poëtica. In al die gevallen kan er sprake zijn van literaire segmenten die zich deels autonoom, deels in intense wisselwerking met hun omgeving ontwikkelen. Het lijkt mij wenselijk om bij een literair-historische beschrijving daarvan eenzelfde soepele en ondogmatische houding aan te nemen als bij de benadering van het probleem van de grenzen van de Nederlandse literatuur.
Vanuit deze optiek wil ik in het bijzonder die altijd weer problematische relatie tussen Nederland en Vlaanderen kort belichten. Vooreerst is het een probleem dat zich in deze vorm althans pas voordoet na de zestiende eeuw en dat vooral bij de literair-historische behandeling van de negentiende en voornamelijk twintigste eeuw telkens acuut naar voren komt. In de oeverloze discussies tussen voor- en tegenstanders van een geïntegreerde behandeling komen altijd weer dezelfde argumenten naar voren: taal, grondgebied en cultuur of een combinatie daarvan.
Wie voor een geïntegreerde behandeling pleit, gebruikt meestal het argument van eenheid van taal. Het is in dat opzicht overigens niet toevallig dat deze bijeenkomst onder de auspiciën van de Nederlandse Taalunie wordt georganiseerd. Wie daarentegen pleit voor aparte literatuurgeschiedenissen van Noord en Zuid, grijpt telkens weer naar argumenten die te maken hebben met grondgebied en met culturele verschillen. Het komt er in feite op neer dat men de lijn tussen Noord en Zuid de ene keer interpreteert als een grens, de andere keer als een slechts relatief belangrijke markering van een geleding. In de praktijk lost men het probleem meestal op door aparte literatuurgeschiedenissen te maken, of door enkele grote auteurs uit Vlaanderen aan de ontwikkelingen in Nederland op te hangen en ze daardoor meteen uit hun Vlaamse literaire milieu los te maken. Het gaat dan om het welbekende rijtje van Van Nijlen, Van de Woestijne, Minne, Elsschot, Van Os-
54