Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoeken naar:
Voorzetten 52

Veelstemmig akkoord, Naar een nieuwe literatuurgeschiedenis
Red.: H.Bekkering en A.J. Gelderblom
1997
128 pagina's

Veelstemmig akkoord

Reactie E.K. Grootes

Op deze voordrachten reageert als respondent de heer E.K. Grootes (hoogleraar Historische letterkunde van de Renaissance aan de Universiteit van Amsterdam). Hij had vooraf vijf discussiepunten geformuleerd.

1.        Ook bij een nieuwe literatuurgeschiedenis dient men vast te houden aan een chronologische opbouw volgens een beperkt aantal historische perioden. Binnen die perioden zullen onvermijdelijk verschillende indelingscriteria met elkaar concurreren.

2.        Ik onderschrijf het algemene uitgangspunt van Brems, Paasman en Willaert. Zowel 'Nederlands' als 'literatuur' zijn historische begrippen waarvan de inhoud zich in de loop van de tijd wijzigt. Ze kunnen dan ook niet gebruikt worden als eenduidige selectiecriteria. Consequent zijn is een onbereikbaar ideaal. In elke historische periode zal het literaire systeem weer geproblematiseerd moeten worden naar mogelijke coherentie en acceptabele variatie.

3.        Men kan zich in elk geval niet beperken tot Nederlandstalige literatuur. Wanneer niet-Nederlandstalige literatuur deel uitmaakt van hetzelfde literaire systeem (vgl. Barlaeus, Charles de Coster en anderen), mag deze niet worden buitengesloten. Niet-Nederlandstalige letterkunde geschreven in de voormalige koloniën vormt een grensgeval. Ik zou deze tot de 'context' rekenen, evenals buitenlandse literatuur die sterk in de Nederlandse doorwerkt.

4.        De literatuur in het Afrikaans vertoont over het algemeen te weinig samenhang met de Nederlandse om binnen hetzelfde handboek een gelijkwaardige aandacht te krijgen.

5.        Als men indeelt volgens een genologisch stramien, kan de Vlaamse letterkunde in de oudere perioden geïntegreerd worden behandeld; als men langs literatuursociologische lijnen structureert, gaat dit over het algemeen niet op.

Het is mijn taak om kritische kanttekeningen te plaatsen, maar de moeilijkheid is dat ik het in veel opzichten met de drie sprekers eens ben.

De gemeenschappelijke tendens die ik eruit heb gehaald, is dat er geproblematiseerd moet worden; voortdurend moet elke mogelijke relatie en/of begrenzing als een vraag worden opgeworpen en als probleem worden besproken. Ik ben zelf ook wel in de val van onberaden uitspraken gelopen door in mijn discussiepunten iets over Zuid-Afrikaanse letterkunde op te nemen en die in zekere zin buiten de deur te plaatsen. Maar die lapidaire uitspraak moet ik natuurlijk onmiddellijk terugtrekken, zodra iemand met Elisabeth Eybers op het toneel komt. Ook uit het betoog van Paasman blijkt duidelijk dat voor de oudere periode een Nederlands schrijvende auteur in Zuid-Afrika absoluut geen andere situatie vertegenwoordigt dan een auteur die toevallig jaren daarvoor in Nieuw-Holland of jaren later in Batavia zou zitten.

58

Nederlandse Taalunie