Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoeken naar:
Voorzetten 52

Veelstemmig akkoord, Naar een nieuwe literatuurgeschiedenis
Red.: H.Bekkering en A.J. Gelderblom
1997
128 pagina's

Grenzen en geledingen van de Nederlandstalige literatuur

Het algemene uitgangspunt van de sprekers onderschrijf ik. Met Hugo Brems moeten wij vaststellen dat de Vlaamse letterkunde natuurlijk in een handboek als dat waarover wij nu spreken een plaats moet krijgen, net zo goed als de Nederlandse letterkunde. Dat geldt ook voor de koloniale literatuur. Je komt dan wel onmiddellijk op de vraag waar dan precies de grens wordt gelegd. Als je de literatuur in Suriname beziet, ga je dan bijvoorbeeld taalcriteria hanteren waardoor een auteur die niet in het Nederlands schrijft, niet wordt opgenomen? Maar wat als hij een sterke relatie heeft met een auteur die wel in die taal schrijft? Ook ik denk dat we al die problemen duidelijk dienen aan te geven en ik geloof dat het probleem uiteindelijk niet zo erg gecompliceerd is, als je bedenkt dat de Nederlandse letterkunde uiteraard een plaats heeft binnen de wereldliteratuur. Zodra je over Nederlandse literatuur schrijft, over genres, over auteurs of thema's, stuit je voortdurend op het probleem dat het altijd een deelaspect is van iets wat zich vaak ook elders in de letterkunde voordoet. De vraag naar de selectie van het materiaal zal zich derhalve altijd opdringen.

Moet er in een Nederlandse literatuurgeschiedenis iets over petrarkisme worden opgenomen? Zo ja, moet er dan ook iets over Petrarca worden gezegd? Met welk publiek wordt rekening gehouden als bijvoorbeeld Van der Noot wordt behandeld? Zijn dat mensen die de Pléiade gelezen hebben? Of moet die relatie eerst worden uitgelegd? Bij het schrijven moet telkens weer, deels ad hoc, maar deels ook op grond van principiële overwegingen, worden afgewogen wat er wel of niet in moet komen.

Ook ik denk dat het algemene uitgangspunt zou moeten zijn dat die vraag telkens expliciet wordt gesteld, opdat niets onder de tafel wordt geschoven. Die vraag komt niet voort uit het grondgebied waarmee je je bezighoudt, maar doet zich voor zodra je überhaupt iets behandelt, want dan heb je direct te maken met een gigantische hoeveelheid relaties. Zodra je een boek pakt, zitten daar direct honderden culturele verschijnselen, filosofische en andersoortige discussies aan vast en telkens weer moet de handboekschrijver daarover een beslissing nemen. Problematiseren is prachtig, maar het is eigenlijk meer een fraai uitgangspunt dan een hulpmiddel om die keuzes te maken bij het schrijven.

Er zullen zich ongetwijfeld ook compositieproblemen voordoen. Wat bijvoorbeeld te doen met De stille kracht van Couperus? Als de koloniale literatuur een eigen domein krijgt in het handboek, dan kan die roman niet tegelijkertijd worden behandeld onder 'Couperus', want dat past eerder binnen een auteursgerichte behandeling. Het is natuurlijk ook mogelijk dat De stille kracht aan de orde komt in een hoofdstuk over de roman, als besloten wordt het werk genologisch in te delen. Datzelfde geldt voor andere terreinen. Als je iets over jezuïetenemblematiek wilt opnemen, kan dat in een hoofdstuk over emblematiek, maar ook over religieuze ontwikkelingen in Zuid-Nederland.

Bij dit alles speelt uiteindelijk toch een rol dat wij hier bij elkaar zitten met het idee dat er een nationaal of binationaal boekwerk moet komen, iets voor Nederland én Vlaanderen. Wij weten ook dat de nationale literatuurgeschiedschrijving nu niet direct een zo langzamerhand vanzelfsprekend geworden benadering kent. Je kunt in de plaats van de grenzen waarover tot nu toe is gesproken - Zuid-Afri-

59

Nederlandse Taalunie