Veelstemmig akkoord, Naar een nieuwe literatuurgeschiedenis
Red.: H.Bekkering en A.J. Gelderblom
1997
128 pagina's
Canon en cultuurhistorische inbedding
literatuur gaan herschrijven. Ik kies mijn voorbeelden uit de afgelopen honderd jaar, simpelweg omdat het de periode betreft waarin ik mij het beste thuis voel. Vanaf dit moment stel ik in mijn verdere verhaal de begrippen 'canon' en 'corpus' dan wel 'materiaalverzameling' min of meer aan elkaar gelijk. Misschien niet een direct geoorloofde handeling, maar wel begrijpelijk, omdat literatuurgeschiedschrijvers immers een selectie maken uit de literatuur in het algemeen en aldus niet alleen bezig zijn met het bijeenbrengen van een corpus, maar ook in hoge mate met de vorming van of de aanscherping van de canon.
Mijn eerste voorbeeld komt uit de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. Tot nu toe hebben de literatuurgeschiedschrijvers zich altijd beperkt tot teksten die horen tot de geijkte literaire genres, dat wil zeggen poëzie, proza, dramatiek en essayistiek. Ook Jacqueline Bel, die in haar proefschrift over het proza van de jaren 1885 tot 1900 de aandacht heeft gevestigd op zeer veel teksten die tijdens het proces van canonisering obscuur zijn geworden, en die ook de aandacht vestigt op het werk van buitenlandse auteurs als Maeterlinck, Tolstoj en Ibsen, die tot de onmiddellijke context van het letterkundig fin de siècle van de Nederlandse literatuur behoren, beperkt zich tot de literatuur in de conventionele zin van het woord.12 Ik zou graag zien dat de toekomstige geschiedschrijver van het Nederlandse en het Vlaamse fin de siècle de canon of het corpus in zoverre zou verruimen, dat er ook volop autobiografische geschriften in te vinden zouden zijn en dan niet alleen de bekende en inmiddels gecanoniseerde van bijvoorbeeld Vincent van Gogh, Jacqueline Royaards, Eduard Karsen en anderen - dat betreft een soort van paraliteratuur die onder de aandacht is gekomen omdat het een rijke bron van receptiedocumenten te zien geeft, maar ook omdat het om allerlei literair-esthetische redenen bij de canon lijkt te worden ingelijfd - maar ook andere soortgelijke autobiografische teksten. Ik zal proberen te verduidelijken waarom ik dat van belang vind en ik grijp dan toch terug naar de drie zo-even genoemden. Het gaat niet alleen om teksten die stilistisch dan wel receptiehistorisch van belang zijn, maar ook om teksten die een grote mentaliteitshistorische documentaire waarde bezitten. Er is al dikwijls gewezen op de samenhang tussen de sensitivisti-sche verzen van Herman Gorter en het schilderwerk van Van Gogh, maar bij mijn weten heeft niemand tot nu toe een serieuze poging ondernomen om op grond van de teksten van Gorter en Van Gogh te komen tot een nauwkeurige bepaling wat dat sensitivisme inhoudt als het wordt verruimd tot een begrip dat verder reikt dan alleen de literatuur.
Een tweede casus vind ik in de jaren twintig en dertig van deze eeuw. In mijn monografie Nieuwe zakelijkheid uit 1992 heb ik betoogd dat men pas goed zicht krijgt op het verhalend proza van het interbellum, wanneer men dat ziet binnen de context van de zich vernieuwende journalistiek, van de opkomende media als film, radio en reclame en van avant-gardistische tendensen in beeldende kunst en architectuur. Ook hier zou het corpus van literaire werken waarop de geschiedschrijver
Zie de literatuurlijst, nr. 4.
69