Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 52

Veelstemmig akkoord, Naar een nieuwe literatuurgeschiedenis
Red.: H.Bekkering en A.J. Gelderblom
1997
128 pagina's

Veelstemmig akkoord

Lezing K. Porteman

De derde voordracht wordt uitgesproken door de heer K. Porteman (hoogleraar Nederlandse letterkunde van de zestiende tot en met de achttiende eeuw, Katholieke Universiteit Leuven).

Contextualisering behoort uiteraard tot het wezen van onze discipline. De opvatting dat de literatuurgeschiedenis een chronologisch geordende, kritische, interpretatieve voorstelling van gecanoniseerde teksten zou moeten zijn, vindt in het academisch milieu nog nauwelijks aanhang.

Het probleem met contexten is echter dat zij eindeloos zijn, zo grenzeloos dat zij de literatuur zo kunnen inbedden dat deze als zodanig nog amper zichtbaar blijft. Tegenwoordig geldt de op zijn beurt weer zeer rekbare ontstaanscontext met die van de maatschappelijke functie van literaire werken als de meest gangbare vorm van inbedding. Binnen de krijtlijnen van dit speelveld manifesteren zich evenwel in de praktijk vrij uiteenlopende werkwijzen. Aan de ene kant zijn er de onderzoekers die deze contexten aanwenden om de inhouden van literaire werken beter toe te lichten, terwijl anderen de context systematisch in de tekst brengen, zodat de letterkunde alleen nog optreedt als kenbron voor de algemene beschavingsgeschiedenis. Op deze dubbelsporigheid werd vanuit de medioneerlandistiek onder meer gewezen door Willaert en Reynaert, kennelijk vanuit de wil om in die discipline met een en ander in het reine te komen.

Het is het onontkoombaar lot van de literatuurgeschiedenis te laveren tussen de claims die uitgaan van haar specifiek object - het literaire - en de lokroep van haar natuurlijke eindbestemming, de algemene cultuurgeschiedenis. Beide strekkingen zijn mutatis mutandis ook sterk voelbaar in de cultuurmaatschappelijke spanning waarbinnen de historische studie van alle kunsten wordt beoefend en die de kunsthistoricus Eddy de Jongh in zijn Huizinga-lezing 'het vruchtbare misverstand' heeft genoemd. De instanties en de levende literaire cultuur die het literair-historisch onderzoek financieren en dus stem geven, hanteren vaak andere criteria en koesteren soms andere verwachtingen dan die van de gestrenge wetenschap. Nog onlangs werden in Vlaanderen historische cultuuronderzoekers, wilden zij mee-eten van de rijke tafelen van de impulsprogramma's humane wetenschappen, bijna verzocht hun projecten te vermommen in een vertoog over erfgoed, conservering en uitstraling. Kortom: de niet altijd door de ratio beheerste waardewereld van de culturele identificatieprocessen, de 'verplichte' eerbied voor het eigen verleden, het respectabele samenhorigheidsbesef rond de moedertaal en het geloof dat de geërfde literatuur en kunst in staat zouden zijn deze waarden blijvend te bevorderen.

Ik ben de mening toegedaan dat wij, willen wij op den duur in leven blijven, met dergelijke spanningen moeten leren leven en dat het bovendien niet alleen van een soort academische koelheid, maar tevens van een betwistbaar inzicht zou getuigen diegenen als onorthodox te bestempelen die, weliswaar onder historische controle, nog durven formuleren hoe goed een verhaal is gecomponeerd. Dat litera-

72

Nederlandse Taalunie