Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 52

Veelstemmig akkoord, Naar een nieuwe literatuurgeschiedenis
Red.: H.Bekkering en A.J. Gelderblom
1997
128 pagina's

Canon en cultuurhistorische inbedding

Reactie F.P. van Oostrom

De slotlezing wordt uitgesproken door de heer F.P. van Oostrom (hoogleraar Nederlandse letterkunde tot de Romantiek aan de Rijksuniversiteit Leiden).

Ik wil nog wat aanscherpen. Achter de nevenschikking in de titel van dit blok, canon en cultuurhistorische inbedding, verschuilt zich zo al geen tegenstelling dan toch op z'n minst een spanningsveld. Mij dunkt dat dit in ieder geval zichtbaar is als je de vakgeschiedenis bekijkt, want als wij de nadrukkelijke, bijna manifestachtige introductie van het cultuurhistorische paradigma binnen de neerlandistische literatuurgeschiedschrijving beschouwen - die introductie begint wat mij betreft met het werk in de late jaren zeventig van Herman Pleij -, dan vindt dat pleidooi ontegenzeggelijk plaats vanuit een uitdrukkelijke scepsis jegens de meer canonieke vorm van literatuurgeschiedschrijving. In dat verband was de Beatrijs Pleijs zwarte schaap, zijns inziens een volgens menigeen tijdloos kunstwerk, maar in de werkelijkheid van de Middelnederlandse letterkunde, vermits slechts vertegenwoordigd door één, zij het prachtig, maar ook tamelijk maagdelijk, handschrift, en verder niets, veel minder aanwezig dan de vloed van volkse genrestukjes in de sfeer van feesten en partijen en nadien de stroom van populair drukwerk. Ter legitimering van zijn sterke wens om toch vooral die grote en vaak zo geminachte groep van bronnen uit de schaduw te halen en tot een aandachtspunt, zo niet een spil van literatuurgeschiedschrijving te maken, gebruikte Pleij in zekere zin een kwantitatief argument, tegenover een kwalitatief, al liet hij er geen misverstand over bestaan dat hij van die kwaliteit helemaal niet zo overtuigd was. Meer nog gebruikte hij een historisch tegenover een esthetisch argument; het ging hem dus niet zozeer meer om de canon, maar om cultuurhistorische processen en de rol van literatuur daarbinnen.

Wij weten allemaal dat de gevolgen niet zijn uitgebleven, om te beginnen niet voor het gebied dat Pleij zelf bestreek, de Nederlandse letterkunde van de late Middeleeuwen. Iedereen zal erkennen dat hij daarmee de vaak veronachtzaamde periode uit onze literatuurgeschiedenis, waarin tussen Beatrijs en Elckerlijc voor canonisten niet zoveel te beleven viel, misschien met Mariken van Nieumeghen als dankbare stapsteen daartussen, op een ongeëvenaarde wijze interessant heeft weten te maken. Maar de invloed van het paradigma dat hij zo sterk bepleitte, strekte duidelijk veel verder, niet alleen dankzij zijn pleidooi. Voor een deel waren andere invloedssferen al aanwezig en er zijn er natuurlijk bij gekomen, maar daar zal ik niet over uitweiden. Het succes van de cultuurhistorische benadering in brede zin van het fenomeen 'literatuur' is inmiddels zo wijd verbreid geraakt, dat zelfs over de letterkundige periode die qua onderzoeksvolume en ook canoniek gesproken - ik blijf het even zo noemen - in de neerlandistiek het stevigst in het zadel zit, namelijk de modernistiek, met haar overvloed aan levendige en indrukwekkende vonken, sterke geluiden klinken en soms zelfs al de boekvorm hebben aangenomen die in een cultuurhistorisch register zijn getoonzet. U hoorde zojuist eigenlijk beide modernisten heel duidelijk in die richting pleiten. Ik noem verder

75

Nederlandse Taalunie