Lessen Nederlands voor anderstalige volwassenen in Nederland, een inventarisatie van cursussen naar doel en opbrengst
S. Verhallen
1987
240 pagina's
In bepaalde gevallen zijn meerdere aandachtspunten, met name bij de subparagrafen, bij elkaar genomen (bijvoorbeeld in enkele tabellen). Bovendien zijn in een paar hoofdstukken subparagrafen vervallen als de beschikbare (in zulke gevallen meestal beperkte) gegevens al eerder in het hoofdstuk aan de orde zijn gekomen.
2 Welke activiteiten komen aan bod
In dit onderzoek worden de educatieve activiteiten Nederlands als tweede taal besproken waarvoor een aantal algemene eigenschappen geldt:
- het onderwijs wordt in meerdere of mindere mate door de overheid bekostigd,
- de niet onder bekostigingsmiddelen van de overheid vallende cursussen worden door bedrijven, instellingen en/of deelnemende cursisten betaald,
- de instellingen worden genoemd in verslagen, leerplannen, brochures of onderzoeksrapporten,
- er vinden regelmatig activiteiten voor werving en toeleiding plaats.
Niet beschreven worden activiteiten die door vrijwilligers worden uitgevoerd in privé-omstandigheden, eventueel geïnitieerd door maatschappelijke of kerkelijke organisaties. In de regel betreft het hier één-op-één lessituaties (1 lesgever/l lesnemer) die worden uitgevoerd buiten de reguliere onderwijs- en welzijns-instellingen om, waarbij in de kosten van lesmateriaal geheel door les-gever/lesnemer zelf wordt voorzien en waarvoor niet of nauwelijks van deskundige begeleiding gebruik wordt gemaakt. De omvang van zulke persoonlijke initiatieven is niet vast te stellen; de schattingen over het aantal buitenlanders dat op deze manier Nederlandse taallessen krijgt lopen ver uiteen (van enkele honderden tot 5 a 10.000).
Categoriseringsperikelen
Er dienen zich drie mogelijkheden aan om de cursussen te inventariseren en in te delen:
- naar soort van instelling: er zijn tientallen soorten instellingen, per soort tientallen tot honderden instituten in Nederland;
- naar leerdoel: de vraag is of de cursus zich richt op
a) sociale redzaamheid/algemene basiseducatie,
b) doorstroming naar beroepsopleiding of arbeidsmarkt, of
c) doorstroming naar middelbare of hogere opleidingen;
- naar intensiteit van de cursus:
a) 2-5 uur les per week (niet-intensieve cursus),
b) 'enige tussenvorm',
c) 10-20 uur of meer per week voor een periode van enkele maanden of langer (intensieve cursus).
We hebben gekozen voor een combinatie van het eerste en tweede indelings1 criterium omdat met het oog op eventuele centrale certificering in het onderwijs, leerdoel en eindniveau de belangrijkste beslissingspunten zullen zijn als men cesuren wil aanbrengen.
Aldus ontstaan 3 categorieën: 1. Activiteiten gericht op instroom voortgezet (dag-)onderwijs