Lessen Nederlands voor anderstalige volwassenen in Nederland, een inventarisatie van cursussen naar doel en opbrengst
S. Verhallen
1987
240 pagina's
|
lannen |
vrouwen |
|
5.000 |
4.900 |
|
12.300 |
11.400 |
|
24.700 |
20.100 |
|
4.700 |
3.600 |
|
3.500 |
3.200 |
|
5.400 |
4.200 |
|
3.100 |
1.700 |
|
23.600 |
17.300 |
Bovendien wonen er in Nederland grote groepen personen met een niet-Nederlandse nationaliteit waarop het minderhedenbeleid niet altijd van toepassing is, maar die wel in meerdere of mindere mate een beroep doen op educatieve voorzieningen waaronder taalcursussen wel de belangrijkste zijn.
Enkele groepen aanwezige niet-Nederlanders naar nationaliteit (1-1-1984)
Amerika
België
West-Duitsland
China (volksrepubliek)
Frankrijk
Indonesië
Pakistan
Groot Brittannië (incl. Hong Kong)
Overige (andere groepen dan
in voorgaande tabel genoemde
niet-Nederlanders) 36.500 26.000
Totaal 118.000 + 92.400 = 211.200
(CBS, 1985. Slalislisrh zakboek, p. 35)
Er is natuurlijk sprake van een constante in- en uitstroom van buitenlanders. Per saldo neemt het aantal buitenlanders c.q. niet-Nederlandstaligen (het zgn. migratieoverschot) per jaar met enkele duizenden toe.
Voor het taalonderwijs is het interessant om te kijken naar het aantal anderstaligen dat jaarlijks binnenkomt; onder deze groep zal de behoefte aan onderwijs Nederlands als tweede taal wel groot zijn.
Jaarlijkse immigratie van niet-Nederlanders (1984)
11.600
25.600
|
E.G.-landen |
|
|
w.o. België |
1.300 |
|
West-Duitsland |
3.800 |
|
Italië |
600 |
|
Groot Brittannië |
4.300 |
|
Overige landen |
|
|
w.o. Marokko |
4.600 |
|
Spanje |
600 |
|
Suriname |
1.800 |
|
Turkije |
4.100 |
|
Totaal |
37.200 Van deze groep van 37.200 is ongeveer 70% ouder dan 15 jaar.
5 De onderwijsinhoudelijke component
De mogelijkheden om het onderwijs Nederlands als tweede taal kwalitatief te beoordelen zijn erg beperkt. Bij de beschrijving van de taalcursussen maken we gebruik van gegevens omtrent het begin- en eindniveau van de doelgroepen waarop men zich richt om die daarna te kunnen vergelijken met gegevens over de taalgebruiksmodaliteiten die in het onderwijs aan bod komen en de ver-