Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoeken naar:
Voorzetten 10

Enige volkenrechtelijke vragen rond de Nederlandse Taalunie
N. Sybesma-Knol en K. Wellens:
1987
320 pagina's

zal wellicht met zich brengen dat hierin alleen bepaalde resultaten worden voorgesteld. Een dergelijke gezamenlijke resultaatsverplichting zal nog voldoende beleidsruimte overlaten, maar de verdragspartijen zullen er bij het ontwikkelen van nieuwe wetgeving op terreinen die strikt genomen vallen buiten artikel 5 en uiteraard ook buiten artikel 4, rekening mee moeten houden dat de richting en het beoogde resultaat van besluiten in het kader van artikel 5 door die wetgeving niet aangetast of in het gedrang kunnen worden gebracht. Dit vereist voortdurende aandacht van de wetgever, maar deze inspanning wordt gevergd omwille van het beginsel dat een verdrag te goeder trouw dient te worden uitgevoerd. Voorwerp, doel en inhoud van het verdrag mogen dus nooit uit het oog worden verloren. Implicaties van nieuw te ontwerpen wetgeving op de beleidsterreinen van het Verdrag dienen dus steeds kritisch te worden doorgelicht.

De omstandigheid dat het nationale beleid, waarbinnen de bevordering van de eenheid van de Nederlandse taal past, veelal ruimer van aard is en de uitvoering van een gemeenschappelijke beslissing in het kader van de Taalunie daarom mede afhankelijk is van andere, nationale factoren die buiten het bereik van de Taalunie liggen, vermag aan bovenstaande beschouwingen niets te veranderen.

De vraag die gesteld werd, of er een nog verdergaande conclusie mag worden getrokJcen, namelijk dat de gemeenschappelijke beslissingen van het Comité van Ministers van de Taalunie rechtstreekse gevolgen hebben in Nederland en België, komt in 2.3.6 aan de orde.

23.6. Rechtstreekse toepasselijkheid voor besluiten van het Comité van Ministers?

Het belang van deze vraag is gelegen in wat eerder werd uiteengezet aangaande voorrang van het volkenrecht op de nationale rechtsorde. Immers, in het Belgische en Nederlandse rechtsstelsel kennen respectievelijk rechtspraak en grondwet deze voorrang enkel toe via de niet-toepassing van nationale wetten door de rechter, indien het om verdragsbepalingen en besluiten van internationale organisaties gaat die rechtstreeks werken. We zullen de gehanteerde formuleringen en criteria onderzoeken, het begrip omschrijven in het volkenrecht en dan de vraag behandelen of het begrip rechtstreekse werking in het kader van de Nederlandse Taalunie kan worden gehanteerd en toegepast.

2.3.6.1. De Nederlandse rechtsorde

In 1953 luidde artikel 66 van de Grondwet: "De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van overeenkomsten. De overeenkomsten verbinden eenieder, v zover zij zijn bekendgemaakt". De bedoeling was ongetwijfeld dat het voorschrift zou gelden voor overeenkomsten die naar haar aard voor rechtstreekse toepassing in aanmerking komen, aldus Oud [186]. De commissie-Kranenburg wilde dit duidelijk in de Grondwet neerleggen en er tevens rekening mee houden dat niet alle bepalingen van een verdrag een dergelijk karakter hebben. Het nieuwe artikel 65 in de Grondwet van 1956 luidde dan ook als volgt: "Bepalingen van overeenkomsten, welke naar haar

Nederlandse Taalunie