Enige volkenrechtelijke vragen rond de Nederlandse Taalunie
N. Sybesma-Knol en K. Wellens:
1987
320 pagina's
1.1. VOORWOORD
In augustus 1985 ontvingen wij een brief van de Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie waarin om onze medewerking werd verzocht bij de beantwoording van een aantal vragen over interpretatie en implicatie van verdragsartikelen van het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie. Dit rapport, afgesloten op 15 augustus 1986, werd in onderling overleg opgesteld en behandelt de 10 vragen ons door de Algemeen Secretaris voorgelegd. Daaraan is nog een vraag toegevoegd die gesteld werd door de Interparlementaire Commissie van de Taalunie. De formulering van de vraagstelling door de Algemeen Secretaris bleef ongewijzigd, maar werd tijdens een aantal vergaderingen bij aanvang van het onderzoek wel mondeling door hem toegelicht.
De vragen die ons werden voorgelegd hebben alle betrekking op aard, bevoegdheid en werking van de Nederlandse Taalunie en vertonen onvermijdelijk grote onderlinge samenhang, ofschoon sommige vragen van mee algemene aard zijn, terwijl andere een meer specifiek karakter vertonen. We hebben de vragen afzonderlijk behandeld en beantwoord, terdege rekening houdend met hun onderlinge samenhang die tevens tot uiting komt in referenties onderling aan antwoorden, gegeven op andere vragen.
Bij wijze van algemene inleiding worden in deel 1 van dit rapport enkele algemene opmerkingen geformuleerd in verband met de Nederlandse Taalunie en wordt verder de interpretatiemethode toegelicht.
In deel 2 van het rapport geven wij voor iedere vraag afzonderlijk, na een onderzoek naar de totstandkoming van de betreffende verdragsbepaling(en) en een analyse van de tekst, een algemeen overzicht van de achtergrond van het probleem in de rechtsleer, en van precedenten uit de rechtspraktijk. Naar aanleiding daarvan formuleren we dan de conclusies die voor de Taalunie getrokken dienen te worden.
Over het algemeen zijn wij bij het opstellen van onze adviezen wellicht dieper ingegaan op de theoretische achtergrond van de verschillende problemen dan in eerste aanleg nodig leek om een antwoord te formuleren op de gestelde vragen. Zo behandelen wij, zij het zeer beknopt, de problematiek van de internationale rechtspersoonlijkheid van internationale organisaties (vraag 1 in hoofdstuk 2.1), de kenmerken van supranationale organisaties (de vragen 1 en 6 in de hoofdstukken 2.1 en 2.6), de privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid (vraag 7 in hoofdstuk 2.7), de voorrechten en immuniteiten (vraag 8 in hoofdstuk 2.8), de bindende kracht van de beslissingen van de organisatie (vraag 2 in hoofdstuk 2.2) en de invloed van de staatshervorming in Belgiƫ (vraag 9 in hoofdstuk 2.9).
Ook gaan wij naar aanleiding van een vraag uit de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie nog in op de bevoegdheid van deze organisatie om verdragen te sluiten (vraag 11 in hoofdstuk 2.11).
Ons uitgangspunt was, dat de Taalunie met deze meer principiƫle achtergrond in staat zal zijn met meer kennis van zaken haar beleid ten aanzien van de aangesneden problemen te kunnen formuleren, en antwoorden vinden op andere (juridische) problemen die zich in de toekomst kunnen voordoen.
Dit rapport werd door ons beiden opgesteld in nauw onderling overleg waarbij wij onze bijdragen op elkaar hebben afgestemd. Uiteraard hebben we bij de beantwoording van deze voor het functioneren van de Nederlandse Taalunie belangrijke vragen volstrekte onafhankelijkheid in acht genomen