Enige volkenrechtelijke vragen rond de Nederlandse Taalunie
N. Sybesma-Knol en K. Wellens:
1987
320 pagina's
2.4. BEVOEGDHEDEN VAN DE NEDERLANDSE TAALUNIE OP HET GEB VAN DE SCHRIJFWIJZE VAN DE NEDERLANDSE TAAL
2.4,1. De tekst van het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie: artikel 4, b
De officiële spelling van de Nederlandse taal behoort tot de specifiek omschreven terreinen van bindende samenwerking die door de verdragspartije limitatief zijn opgesomd in artikel 4. In deze paragraaf onderzoeken we de tekst van artikel 4, b in zijn context en in het licht van voorwerp en doelstelling van het Taalunieverdrag. Uit de voorbereidende werken van het Verdrag en de omstandigheden van de sluiting van het Verdrag zal moeten blijken of het de bedoeling van de partijen is geweest aan de term 'officiële spelling' een speciale betekenis te geven.
De interpretatie van artikel 4, b dient uiteraard te geschieden in het licht van het globale doel van de Nederlandse Taalunie zoals verwoord in artikel 2,1 van het Verdrag, met andere woorden artikel 4, b dient gelezen te worden op een wijze georiënteerd op de integratie. De interpretatie moet bovendien verenigbaar zijn met, in de lijn liggen van de realisatie van het Verdrag: de gemeenschappelijke bevordering van de kennis en het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal.
Problemen die na 1967 rezen rond de voorstellen tot wijziging van de spelling hebben, zoals de werkgroep ad hoc in haar rapport opmerkt, mede aan de oorsprong gelegen van de initiatieven die uiteindelijk tot de oprichting van de Nederlandse Taalunie hebben geleid [1]. De eenheid van de Nederlandse taal en het Nederlandse taalgebied werd bij het begin door de werkgroep ad hoc als uitgangspunt genomen voor haar werkzaamheden [2]. De werkgroep ad hoc verwijst in haar ontwerpmemorie van toelichting naar de afwezigheid van bindend karakter voor de besluiten van de Gemengde Commissie in het kader van het Cultureel Verdrag van 1946, omdat ze afhankelijk blijven van de afzonderlijke besluitvorming in beide landen. Uitgerekend de problematiek van de spelling wordt daarbij als voorbeeld gehanteerd: "Dat is bijvoorbeeld het geval met de spelling van de Nederlandse taal. Op dit punt voorziet het Cultureel Verdrag wel in onderling overleg, maar het laat verder de regering van België en die van Nederland vrij, zelfstandige en afzonderlijke beslissingen te nemen" [3].
In de preambule van het ontwerpverdrag, opgesteld door de werkgroep ad hoc, wordt de overtuiging uitgesproken "dat een verantwoord gebruik van de Nederlandse taal van groot belang is voor de mogelijkheden tot ontplooiing van de individuele taalgebruiker in het bijzonder en het maatschappelijk welzijn in het algemeen" [4]. In artikel 3 van het ontwerpverdrag luidde het dat de Hoge Verdragsluitende Partijen zich er in het bijzonder toe verbinden: "a. de spelling van de Nederlandse taal gemeenschappelijk te bepalen" [5].
In deze fase van de totstandkoming van het Taalunieverdrag wordt er inhoudelijk dus reeds gesproken over wat in de uiteindelijke tekst werd opgenomen in artikel 4, b, namelijk het beginsel van de gemeenschappelijke bepaling. De kwalificatie van artikel 4, b dat het de officiële spelling is die gemeenschappelijk dient te worden bepaald, komt in het rapport van de werkgroep ad hoc niet voor, evenmin trouwens als de toevoeging van de spraakkunst van de Nederlandse taal. Op de begrippen "officiële spelling".