Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 13

Beter één certificaat in de hand...
J. Leman, K. Sergeijssels en W. Geirnaerdt
1988
88 pagina's

I INLEIDING

Zoals de titel van hoofdstuk II zal aangeven, is er over de certificerings-problematiek van de taalkennis Nederlands al een en ander verschenen, zelfs binnen de reeks Voorzetten van de Nederlandse Taalunie.

Verre van ons is het nu om het werk van de vorige Voorzetten te willen overdoen of om een nog meer globale studie te willen voorleggen. Eigenlijk reikt onze pretentie misschien zelfs minder ver dan wat elders beoogd en gerealiseerd werd, en dit willen we bij het begin van dit inleidende hoofdstuk verduidelijken.

Allereerst is er de titel: Beter één certificaat in de hand... Daarmee bedoelen we twee zaken:

1. het is beter, om kwantitatieve (zie hoofdstuk III) en kwalitatieve redenen (zie o.a. ook, zij het indirect, hoofdstuk V), dat lager geschoolde anderstalige allochtonen ook een certificaat, dat een minstens minimale kennis van het Nederlands aangeeft, in de hand zouden hebben;

2. het is beter dat het om één certificaat gaat naar de gehele heterogene groep van anderstalige allochtonen toe, zowel lager als hoger geschoolden, zij het dan dat dit certificaat opgesplitst zou worden over drie grote niveaus (zie hoofdstuk II en hoofdstuk VI, de conclusies).

Ons materiaal zal uitsluitend uit Vlaanderen en Brussel komen, daar waar voor de literatuur vooral naar literatuur uit Nederland zal verwezen worden. Nu is het best mogelijk dat er accentverschillen kunnen liggen tussen Nederland en Vlaanderen, en zéker met Brussel is dat het geval. Zo is het niet ondenkbaar dat de aanwezigheid van het Frans als prestigetaal naar buitenlanders toe in België, alsook de steeds aanwezige uitwijkmoge-lijkheid van Vlaanderen naar Brussel, in Vlaanderen een remmende werking uitoefent op de Nederlandse taaiwerving bijv. bij Marokkanen, maar ook bij anderen, wat in Nederland vermoedelijk minder het geval zal zijn.

Daarenboven is de situatie in Vlaanderen voor een belangrijk deel nog steeds vergelijkbaar met wat, als we W. Coumou moeten geloven - en dat willen we best doen - de onderwijspraktijk "van pakweg 5 tot 10 jaar geleden" in Nederland zou zijn geweest (1). Maar als we dan elders lezen dat momenteel slechts ca 10% van het aantal potentiële deelnemers in Nederland lessen Nederlands volgt (2), dan is onze conclusie dat er blijkbaar zowel in Vlaanderen als in Nederland best eens goed zou onderzocht worden "wie" "op welke soort Nederlandse taallessen" afkomt, "waarom" en "met welk resultaat", voordat echt grote conclusies zouden getrokken worden. Het lijkt ons overigens iets te eenvoudig, zeker voor wat Vlaanderen en Brussel betreft - en ligt het echt zoveel simpeler in Nederland? - om te stellen dat de buitenlanders zelf best zouden beslissen in welke mate en op welke wijze zij aan de gastland-samenleving wensen deel te nemen, en dus ook best zelf uitmaken welke kennis en vaardigheden zij daarvoor nodig achten, zoals W. Coumou en S. Verhallen stellen in de bijdragen die we zullen bespreken.

Nederlandse Taalunie