Lerarenopleiders over literatuurdidactiek, een onderzoek naar de wijze waarop leraren Nederlands in Nederland en Vlaanderen worden voorbereid op het geven van literatuurlessen
T. Janssen, M. Overmaat, N. Rowan [e.a.]
1988
116 pagina's
5. INTERVIEWS MET LERARENOPLEIDERS
Een belangrijk nadeel van enquêtes is dat daarbij geen gelegenheid bestaat om dóór te vragen en uit te diepen. Daar komt bij dat in de rapportage haast automatisch de nadruk wordt gelegd op het meest voorkomende. Met voorbijgaan aan het bijzondere of ongewone schetsten we zo in het vorige hoofdstuk een beeld van de "doorsnee" opleidingspraktijk. En tenslotte werkt de behandeling per vraag bij de rapportage een versnippering van het beeld in de hand. Hierdoor ontbreekt het zicht op de samenhang tussen de verschillende aspecten.
Om deze bezwaren enigszins te ondervangen, is besloten om de enquêtegegevens aan te vullen met praktijkverhalen van individuele docenten. Daartoe hebben we vraaggesprekken gevoerd met zes van de lerarenopleiders die onze vragenlijst hadden ingevuld. In Nederland waren dit: één MO-docent, één NLO-docent en één ULO-docent, in Vlaanderen interviewden we twee MNS-docenten en één docent van een aggregatie-opleiding.
In de gesprekken vroegen wij hen in het kort iets over de beroepsvoorbereidende component van de opleiding waaraan zij waren verbonden te vertellen en een beschrijving en evaluatie te geven van het literatuurprogramma dat zij verzorgden. De gesprekken, die gemiddeld 90 minuten duurden, werden door telkens twee interviewers aan de hand van min of meer vaste gesprekspunten gevoerd. Hieronder doen wij verslag van de interviews met respectievelijk de Nederlandse (5.1) en de Vlaamse (5.2) lerarenopleiders.
51 Nederland
De interviews werden betrekkelijk informeel gehouden. Naar aanleiding van enkele hoofdvragen werd de docenten de gelegenheid gegeven zoveel mogelijk naar eigen inzicht wat over de opleiding en hun evaluatie daarvan te vertellen. Doorgevraagd werd alleen bij onduidelijkheden en wanneer bepaalde aandachtspunten niet spontaan aan de orde kwamen. Dit leverde per docent een tamelijk levendig verhaal op. Bij de verslaggeving is dit verhaal gegroepeerd rondom vijf vragen, die niet steeds tijdens de interviews in die bewoordingen zijn geformuleerd:
1 Hoe zit, globaal gesproken, de beroepsvoorbereidende component van de opleiding in elkaar?
2. Is er sprake van integratie tussen vakdidactiek enerzijds en vakinhoud en/of onderwijskunde anderzijds?
3. Hoe ziet nu eigenlijkje programma literatuurdidactiek er uit?
4. Hoe bevalt het programma literatuurdidactiek jou en de studenten?
5. Vind je dat de opleiding vakbekwame docenten Nederlands aflevert, met name vakbekwaam voor het geven van literatuuronderwijs?