Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoeken naar:
Voorzetten 15

Leraren over literatuuronderwijs, verslag van een rondvraag onder leraren Nederlands in Vlaanderen en Nederland naar hun ervaringen en problemen bij het geven van literatuurlessen
J. Thissen, D. Neyts, N. Rowan
1988
144 pagina's

rijkste problemen van de leerkrachten betreft immers de leermiddelen: men vindt geen boeiende teksten en geschikte handboeken ontbreken. Wellicht denkt men dat interessante publikaties daarover veel zouden kunnen verhelpen.

Meer informatie wil men ook over moderne literatuur (nog meer dus): blijkbaar vinden de leerkrachten van zichzelf dat ze er nooit genoeg over kunnen weten.

Over drie gebieden wensen de meeste leerkrachten niet meer te weten te komen: literatuurwetenschap, literatuurkritiek en literatuurgeschiedenis. Deze lage scores hoeven niet noodzakelijk op desinteresse te wijzen. Het kan evengoed een aanduiding zijn dat men de bestaande informatietoevoer voldoende vindt, of dat men op die gebieden goed is opgeleid.

5.2.3 Deel C. Uitvoering van het literatuuronderwijs

De hoofdbrok van de enquête bevat vragen over de uitvoering van het literatuuronderwijs en gaat ook dieper in op mogelijke wensen en suggesties van de leerkracht ten aanzien van dat literatuuronderwijs.

Dit gebeurt aan de hand van een vierdelige vraagstelling: "hoe belangrijk vindt u bepaalde doelstellingen, werkvormen, tekstsoorten, enz. ?" (A); "wat komt daarvan werkelijk aan bod in uw lessen?" (B); "legt u op een ervan de nadruk?" (C) en "zou u er beter over geïnformeerd willen worden?" (D). Voor de A-vragen wordt gewerkt met een 3-puntsschaal (onbelangrijk, tamelijk belangrijk, belangrijk). Bij de B-vragen moet de respondent de rubrieken die aan bod komen omcirkelen. Bij de C-vragen moet de rubriek die wordt beklemtoond, vermeld worden. Op de D-vragen kan men antwoorden met 'ja', 'nee', of'geen mening'.

Per onderdeel worden de resultaten als volgt in een tabel verwerkt: er worden telkens vier kolommen onderscheiden die de belangrijkste resultaten van de vier vragen (A, B, C, D) weergeven. Het gaat telkens om afgeronde percentages.

In de eerste kolom (belang) geven we het percentage van de respondenten die het betreffende onderdeel tamelijk belangrijk of belangrijk vinden: het is dus de positieve score van de driedelige vraagstelling (het percentage voor onbelangrijk wordt niet gegeven). Als het percentage erg hoog ligt in kolom I doordat de meeste respondenten iets als tamelijk belangrijk bestempelen (en het dus niet om een uitgesproken positieve uitlating gaat) wordt dat vermeld in de bespreking.

In de tweede kolom staat het percentage van de respondenten die in de klas daadwerkelijk dat onderdeel aan bod laten komen. Hier hebben de respondenten hun antwoord kenbaar gemaakt door de desbetreffende rubriek aan te kruisen; niet aangekruist betekent:

Nederlandse Taalunie