De Nederlandse Taalunie en de spelling: enige juridische beschouwingen
K. Wellens
1988
82 pagina's
van historische woorden door de Minister zou worden geregeld [171].
De indiener van het voorstel beklemtoonde dat het zijn bedoeling was de Cultuurraad te betrekken bij het spellingvraagstuk bijvoorbeeld door bij decreet een koninklijk besluit te bekrachtigen [172]. Verder onderstreepte de commissie "dat het de bedoeling was de officiële schrijfwijze van het Nederlands verplicht te stellen voor alle openbare en daarmee gelijkgestelde diensten, instellingen en ambtenaren in de ruimste zin (overheidsbesturen en -diensten, onderwijs, leger, gerecht, notarissen, concessiehouders van openbare diensten enz.) in Brussel-Hoofdstad en in het Nederlands taalgebied" [173].
Uit de algemene bespreking van het ontwerp-decreet op 17 oktober 1972 moeten nog volgende elementen vermeld worden. De bekrachtiging bij decreet bevestigt de bevoegdheid van de Cultuurraad. Deze procedure is niet vereist voor bastaardwoorden en historische namen: dat zou omslachtig en minder relevant zijn.
De bevoegdheid inzake bastaardwoorden en historische namen ligt bij de deskundigen en de uitvoering kan gebeuren bij koninklijk besluit. De bedoeling is tot spellingrust te komen en de progressieve spelling te doen gelden voor gans het Nederlandse taalgebied in België [174].
Het decreet van 20 november 1972 [175] bevestigt dus de uitsluitende bevoegdheid van de toenmalige Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap inzake de officiële spelling en legt tevens de procedure vast waarbij deze aangelegenheid dient te worden geregeld. De officiële spelling kan wel bij een koninklijk besluit, door de regering worden vastgesteld, maar is onderworpen aan bekrachtiging door een decreet dat kracht van wet heeft; deze procedure geldt evenwel niet voor bastaardwoorden en historische namen. Tevens wordt een ruim toepassingsgebied ratione personae omschreven, ruimer dan in het Regentsbesluit-1946.
Vooral belangrijk daarbij is dat de uiteindelijke bevoegdheid om de officiële spelling vast te stellen niet meer bij de uitvoerende maar bij de, weliswaar regionaal beperkte, culturele wetgevende macht wordt gelegd. Deze decreten met kracht van wet zijn territoriaal beperkt tot het Nederlandse taalgebied, zoals omschreven in de wet van 2 augustus 1963, en tot de instellingen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Nederlandse cultuurgemeenschap.
Nog anders geformuleerd: door de Grondwetsherziening van 1970 en de wetten van juli 1971 was het voortaan uitgesloten om de officiële spelling van de Nederlandse taal uitsluitend te regelen bij koninklijk besluit dat van toepassing zou zijn op het ganse Belgische grondgebied.
b. De Grondwetsherziening van 1980 en de gevolgen voor de spelling-problematiek.
Verwezen mag worden naar wat over de hervorming van de instellingen in België werd gezegd in Voorzetten 10 [176]. We beperken ons hier tot het essentiële.