Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 20

Rapport van de Werkgroep ad hoc Spelling

1988
172 pagina's

II SPELLING ONDER DE TAALUNIE

1 Het Taalunieverdrag

LI Voorgeschiedenis

Zoals uit hoofdstuk I, Spelling vóór de Taalunie, is gebleken, heeft er tussen België en Nederland niet altijd eenheid van spelling bestaan: de spelling-De Vries en Te Winkel werd in Nederland veel later officieel van kracht dan in België en de vereenvoudigingen van de spelling-Marchant werden wel voor het onderwijs in Nederland, maar niet in België ingevoerd. Met het Belgische Spellingbesluit van 1946 en de Nederlandse Spellingwet van 1947 werd de eenheid van spelling echter opnieuw een feit. Na de Tweede Wereldoorlog werd de overtuiging ook steeds sterker dat de spelling een gemeenschappelijke aangelegenheid van Nederland en België was. Artikel 2 van het Belgische Spellingbesluit (omdat de prins-regent Karel het afwezige Belgische staatshoofd verving, wordt ook van het 'Regentsbesluit' gesproken) vermeldt in dit verband dat de opgenomen conclusies en regels slechts kunnen worden gewijzigd in overleg met de Nederlandse regering. De Belgische wetgeving voorzag dus in de verplichting niet tot een eenzijdige wijziging van de spellingregeling over te gaan; de Nederlandse deed dat niet. In 1957 werd aan het in 1946 gesloten Cultureel Verdrag wel een addendum toegevoegd over de spelling, waarin is bepaald dat de verdragsluitende partijen overleg zullen plegen omtrent alle regelingen inzake de schrijfwijze van de Nederlandse taal, met het doel de eenvormigheid van de spelling te bevorderen. Dit overleg had echter een vrijblijvend karakter, want het verplichtte niet tot gemeenschappelijke besluitvorming. Na het overleg konden de betrokken Nederlandse en Belgische ministers in principe hun eigen weg gaan.

In 1972 vond er tussen Nederland en België zulk overleg plaats, en wel over de invoering van de eindvoorstellen van de commissie-Pée/Wesselings. Nederland was hiertoe wel bereid, België niet. De beide partijen gingen daarna echter niet ieder hun eigen weg. Integendeel, hoewel er geen beslissing werd genomen over de commissievoorstellen, werd wel eensgezindheid bereikt over het principe dat voor het gehele

Nederlandse Taalunie