Voorzetten online

Zoeken naar:

Voorzetten 21

Een normatief-pedagogische grammatica voor volwassenen

L. Beheydt en F. Jansen
1989
64 pagina's

33

matieve narrigheid. Voor de afwijkingen op hogere niveaus geldt het omgekeerde: ze hebben desastreuze gevolgen voor de communicatie, maar men maakt zich er niet druk over.

33 Een normatieve grammatica voor volwassen autochtonen

33.1. Beperking tot professionele taalgebruikers

De vorige paragraaf heeft ons gevoerd tot een grammatica die de voorkeuren van alle standaardtaalgebruikers beschrijft. Zo'n grammatica lijkt echter voor ons doel wenselijk noch haalbaar:

-     onwenselijk omdat het bonte conglomeraat van voorkeuren vol tegenspraken zal zitten, waar bijgevolg geen enkele voorschrijvende kracht van zal uitgaan;

-     onhaalbaar omdat een stratificering van de steekproef van de standaardtaalsprekers gewenst lijkt, maar het vooralsnog onduidelijk is hoe dat zal moeten geschieden.

Deze aanpak is gelukkig helemaal niet nodig. Hij doet namelijk geen recht aan het feit dat in onze geletterde samenleving nu eenmaal een taalwerkverdeling is ontstaan: enkele groepen hebben in hun beroep of levensvulling dagelijks bemoeienis met de standaardtaal, anderen maken daar alleen infrequent en oppervlakkig gebruik van. Het lijkt me wenselijk dat de beoogde normatieve grammatica vooral zal berusten op de meningen en voorkeuren van de eerstgenoemde groep (vgl Bartsch 1987:101), die ik voortaan professionele taalgebruikers noem. De oordelen van die groep zijn waardevoller omdat die berusten op praktijkervaring. Deze aanpak heeft ook een praktisch voordeel: een grammatica-advies zal sneller overgenomen worden door lezers die zich herkennen in de adviezen die de grammatica verder geeft. Nu zullen de lezers van de beoogde grammatica ook zelf professionele taalgebruiker zijn. Hun affiniteit met de grammatica zal worden vergroot als de adviezen erin berusten op de oordelen van taalgebruikers met wie ze verwant zijn.

Welke eigenschappen heeft die groep professionele taalgebruikers? Helaas kan ik bij de volgende beschrijving alleen afgaan op mijn eigen beperkte ervaring. De doelgroep is belast met produktief schriftelijk taalgebruik, ofwel schrijven. Men schrijft non-fictie (zoals journalistieke teksten) en voornamelijk ook functionele teksten (zoals officiële correspondentie, folders, handleidingen en gebruiksaanwijzingen). De teksten zijn meestal massacommunicatiemiddelen, en daardoor weet de schrijver niet precies wie zijn lezers zijn.

Het is niet zo moeilijk te speculeren over de behoeften van professionele taalgebruikers. Als die behoeften al van grammaticale aard zijn, dan willen die gebruikers iets weten over de schrijftaalnormen. Spreektaal en allerhande gradaties daarin laten hen koud. Bartsch (1987:11) en De Vries (1987) menen zelfs dat de syntactische normen voor gesproken taal secundair zijn, dat wil zeggen

StTfTRlP.lH V5»1*l CPnrilTTQQlTIArmATl T*ïof rrf*\A+ •vah-Af 17*-Vi^.»" Aa. fn^mala ttn n*A->.rx—n.-. A«