Een normatief-pedagogische grammatica voor volwassenen
L. Beheydt en F. Jansen
1989
64 pagina's
46
Renkema en Steehouder en anderen van de nieuwe richting. Uit Van Eijk, Overduin en Gillaerts büjkt dat de allernieuwste advisering naar een evenwicht zoekt tussen aandacht voor correct en begrijpelijk taalgebruik. De werken van Paardekooper, Overduin en Gillaerts laten verder zien dat ontleedkennis en grammaticale terminologie een belangrijke ondersteunende functie hebben, niet alleen om nauwkeurig uit te kunnen leggen wat correct Nederlands is, maar ook om systematisch aan te kunnen geven wat zinnen onduidelijk maakt.
3.4.1.2 Grammatica's in Frankrijk, Engeland en Duitsland
Een goede beoordeling van de wenselijkheid van een Nederlandse normatief-pedagogische grammatica eist dat we ook nagaan of er in het buitenland dergelijke grammatica's zijn opgezet. Ik heb me beperkt tot de meest gezaghebbende werken voor de drie cultuurtalen die ons omringen, vooral omdat deze culturen niet al te zeer van de onze verschillen. Dit deel van het rapport berust voornamelijk op informatie uit de tweede hand: Haeseryn (1987b) en enkele gesprekken met collega's die Frans, Duits en Engels doceren.
De Franse normatieve grammatica is Grévisse (1986 ). Het werk geeft een breed overzicht: behalve woord- en zinsbouw worden ook klanken, spelling en interpunctie behandeld. Het omvangrijke werk is toegankehjk gemaakt door een register van maar liefst 50 bladzijden. Het boek is vrij moeilijk, onder meer omdat de termen niet altijd uitgelegd worden.
Grévisse is uitgesproken normatief, maar geeft wel veel varianten. Opmerkelijk is de bijlage met de meest recente taalvoorschriften die de Franse regering heeft uitgevaardigd. Dat alleen al maakt duideüjk dat we de grammatica's niet los mogen zien van de sociolinguïstische situatie. Al (1987) schetst de grote kloof tussen de Franse spreektaal en schrijftaal en het alleenrecht dat de schrijftaal heeft voor de normatieve taalkundigen.
Engelsen hebben meer keus. Het ligt voor de hand de standaardgrammatica van Quirk e.a. (1985) als eerste te noemen, omdat die een volledig overzicht geeft en aandacht schenkt aan de invloed van de omringende tekst op de zinsbouw. Bovendien laat die zien wat de meest effectieve taalvormen in een gegeven situatie zijn (Onrust en Verhagen 1987). De wat oudere grammatica van Leech en Svartvik (1975) gaat uit van wat een spreker wil uitdrukken en biedt vervolgens daarvoor enkele varianten aan. Dat lijkt me voor onze doelgroep een zinnige benadering. De twee werken wijken wel af van een traditionele grammatica, wat de toegankelijkheid ervan misschien ongunstig beïnvloedt.
Quirk e.a. verschaft ook informatie over normatieve problemen, ongeveer op dezelfde manier als de ANS. In het Verenigd Koninkrijk bestaat er op grammaticaal gebied een veel minder grote afstand tussen voorschriften en taalgedrag dan in Frankrijk. Daardoor bevatten de grammatica's minder normatieve uitspraken over correctheid en meer over geschiktheid.
De situatie in Duitsland is weer anders. Dudens Grammatik der deutschen Gegenwartsprache is gezaghebbend, maar waarschijnlijk tamelijk ontoegankelijk