Voorzetten online

Zoeken naar:

Voorzetten 21

Een normatief-pedagogische grammatica voor volwassenen

L. Beheydt en F. Jansen
1989
64 pagina's

48

een telefonische enquête. Voor de redacteuren maakte ik een selectie uit 20 uitgeverijen, zowel van dag- en weekbladen als van boeken (fictie en non-fïctie). Voor de taaitrainers deed ik een beroep op 20 taaibureaus. Beide groepen kregen een brief waarin het doel uiteengezet werd en om medewerking werd gevraagd. Ze werden allemaal een week later telefonisch benaderd, hetgeen resulteerde in 32 interviews: 17 met redacteuren en 15 met taaitrainers.

De interviews verliepen volgens het stramien van een vragenlijst met 19 vragen (zie Bijlage II). De belangrijkste vragen waren:

a.      Heeft u in uw beroep behoefte aan grammaticale informatie en adviezen? (Voor de taaitrainers ook: hebben uw cursisten er behoefte aan?)

b.      Voorziet het huidige aanbod van grammatica's en taaladviesboekjes voldoende in die behoefte?

3.423 Resultaten

De resultaten van de enquête zijn ondubbelzinnig. De redacteuren maken veel gebruik van naslagwerken: bijna allemaal een of meer keer per dag. Maar ze grijpen dan naar Van Dales woordenboek en de Woordenlijst. Andere werken worden veel minder frequent geraadpleegd, het vaakst nog de Schrijfwijzer. De enkele redacteur die iets in de ANS opzoekt, doet dat minder dan een keer in de maand.

Dat komt omdat de redacteuren niet veel grammaticale problemen zeggen te hebben. In totaal werden er 47 taaiprobleempjes genoemd, die aanleiding gaven tot het raadplegen van een naslagwerk. Verreweg het grootste deel daarvan (31) bestaat uit spelling- en interpunctieproblemen. Daarbij gaat het om kwesties waarvoor geen specifieke grammaticale kennis nodig is, zoals het afbreken van woorden, het gebruik van hoofdletters. Woordkeuze en (genrespe-cifieke) stijlproblemen worden 8 maal genoemd. Grammaticaproblemen worden eveneens 8 keer genoemd. Dat aantal is echter enigszins geflatteerd, omdat ook vermeldingen zijn meegerekend, die in tweede instantie werden gemaakt, toen expliciet naar grammatica werd gevraagd.

De meeste taaitrainers zeggen helemaal niet frequent taaiadviesboeken te raadplegen: slechts twee doen dat wekelijks, de rest maandelijks of nog minder. Ook hier wordt de Woordenlijst nog het frequentst ter hand genomen, te zamen met de Schrijfwijzer. Grammatica's worden helemaal niet genoemd. De medewerker van de taaiadviesdienst van het genootschap "Onze Taal" neemt overigens een uitzonderingspositie in: 15% van de vragen die deze dienst krijgt, gaan over grammaticale normen, zoals het hen/hun-pTÓbleem en de congruentie met een aantal. Deze adviseur heeft wel behoefte aan een normatieve grammatica.

De afwezigheid van grammaticale interesse bij de taaitrainers is goed te verklaren. Hun activiteiten zijn sterk gericht op het doceren van de globale structuur van enkele functionele genres, bij voorbeeld de opzet van beleidsrapporten. Taaitrainers krijgen wel te maken met taalfouten in het werk van hun cursisten, maar die lossen ze en passant zelf op. De fouten zijn verder niet zo