Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoek naar
Voorzetten 21

Een normatief-pedagogische grammatica voor volwassenen
L. Beheydt en F. Jansen
1989
64 pagina's

4y

Deze resultaten sporen met de gegevens van Süter (1987) en van Smits (1987) over het gebruik van de ANS. Süter kreeg van redacteuren te horen dat ze de ANS zelden of nooit gebruikten. Smits trof op docenten Nederlands in het buitenland na weinig enthousiasme over deze grammatica aan. Smits verbindt daaraan de conclusie, dat de geringe gebruiksfrequentie van de ANS veroorzaakt wordt door feilen in de opzet van die grammatica. Die conclusie lijkt in het licht van het bovenstaande niet juist: eerder vallen grammatica's in het algemeen buiten de belangstellingssfeer van taaitrainers en redacteuren.

3.4.2.4 Conclusie

Redacteuren en taaitrainers buiten het reguliere onderwijs hebben de normatief-pedagogische grammatica in traditionele zin niet nodig. Zij kunnen toe met de Schrijfwijzer en een Woordenlijst. Die laatste moet volgens de geënquêteerden dan wel verbeterd en gemoderniseerd worden. Dat betekent niet zozeer de toevoeging van theoretisch kader, maar wel het geven van duidelijke, strikte regels, gevolgd door veel voorbeelden.

Bij deze conclusie moet onmiddellijk de kanttekening worden geplaatst, dat ik in de enquête alleen heb gevraagd naar de ervaringen met, en de behoefte aan traditionele grammatica's en adviesboeken. Het is niet duidelijk hoe de houding van de informanten zou zijn ten opzichte van een grammatica die voldoet aan de eisen genoemd in paragraaf 3.3.2.

Mijn conclusie uit de peiling laat zich moeilijk rijmen met het in 3.4.2.1 genoemde feit dat de grammatica's en adviesboeken zoveel aftrek vinden. Het is mogelijk dat deze werken vooral terechtkomen bij professionele taalgebruikers in andere sectoren, zoals secretaressen en de opleidingen voor dat beroep. Informeel rondvragen bracht aan het licht dat bij die opleidingen veelal gebruik wordt gemaakt van bedrijfsinterne werkjes. Het is in theorie ook mogelijk dat kennis omtrent de grammatica van de standaardtaal door de doelgroep van de enquête als zo elementair werd ervaren, dat men niet wenste te erkennen dat er af en toe iets opgezocht moest worden. Die verklaring bevredigt me niet, omdat spellingproblemen wel genoemd werden, hoewel die voor de leek nog veel elementairder zijn. Daarom zie ik als enige overblijvende verklaring dat veel werken wel gekocht, maar niet gebruikt worden.

Nederlandse Taalunie