Een normatief-pedagogische grammatica voor volwassenen
L. Beheydt en F. Jansen
1989
64 pagina's
1
Inleiding
In het Verdrag van de Nederlandse Taalunie (1980) stelt artikel 4 b uitdrukkelijk dat de verdragsluitende partijen besluiten tot "het gemeenschappelijk bepalen van de officiële spelling en spraakkunst van de Nederlandse taal".
Daarmee verbinden de partijen zich tot gemeenschappelijke initiatieven op het gebied van de spraakkunst en mutatis mutandis tot overheidsbeleid op dit gebied. Of ze zich daarmee ook verbinden tot wettelijke voorschriften op het gebied van de Nederlandse grammatica is een andere vraag.
In een voorzet over Grammatica stellen Haeseryn en De Rooij (1985) dat in dit verdragsartikel spelling en spraakkunst ten onrechte over één kam geschoren worden en dat men overheidsinterventie op het gebied van de grammatica moet onderscheiden van overheidsinterventie op het gebied van de spelling. In een andere voorzet over wettelijke en bestuurlijke aspecten van de spelling verklaren zij zich nader. De overheid kan en mag het gebruik van spellingregels volgens hen voorschrijven (De Rooij en Haeseryn 1985, 7). De overheid mag geen grammaticaregels voorschrijven omdat zij dan in de taal zelf zou ingrijpen, iets wat De Rooij en Haeseryn onaanvaardbaar achten. Artikel 4 b moet dus volgens hen niet worden begrepen als een besluit tot het maken van een officiële normatieve grammatica. Wat dan wel onder dit artikel 4 b moet vallen is nog niet meteen duidelijk want "anders dan bijv. in het geval van spelling en terminologie, bestaat er inzake overheidsbeleid op het gebied van spraakkunst weinig of geen traditie" (Haeseryn en De Rooij, op. cit. p.5). Wel menen zij dat de Taalunie een beleid zou kunnen voeren op dit gebied en dan denken zij aan een breed spectrum van mogelijkheden "variërend van het voorzichtig stimuleren van bestaande activiteiten of aanzetten daartoe, tot het oprichten van een eigen grammatica-instituut met vast personeel en welomschreven opdrachten" (Haeseryn en De Rooij, op. cit. p.5). Tot zover de interpretatie van artikel 4 b door neerlandici.
Hoe interpreteren juristen het artikel? Op die vraag is uitvoerig ingegaan door Sybesma-Knol en Wellens in een voorzet over "Enige volkenrechtelijke vragen rond de Nederlandse Taalunie" (1987). Zij stellen dat de term officieel in artikel 4 b alleen op de spelling slaat en niet op de grammatica. De spellingregels worden dus wel erkend door het bevoegd gezag. Voor de spraakkunst wordt wel bepaald welke grammaticale regels tot het Nederlands behoren, maar die vaststelling heeft niet de status van voorschrift dat van het bevoegd gezag uitgaat.
Deze interpretatie is met instemming overgenomen door de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren en door het Comité van Ministers dat in zijn standpuntbepaling van 31 oktober 1988 letterlijk stelt: "Het Comité van Ministers deelt de mening van de Raad dat de overheid de spraakkunst (gram-matica), in tegenstelling tot de spelling, niet wettelijk kan voorschrijven (...). De overheid kan niet verder gaan dan te bevorderen, en dat spoort met de gedachten van de Raad, dat er ten aanzien van gevallen waarin zich binnen de taalgemeenschap variatie voordoet of onzekerheid bestaat, normen worden vastgesteld voor wat goed Nederlands is. Aan die normen büjkt grote behoefte te bestaan."