Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Voorzetten

U bent hier: start » voorzetten
Zoeken naar:
Voorzetten 26

Taalzorg: overheid en burger I

1989
140 pagina's

De verklaring wordt nog aannemelijker door de breuk die in 1982 optreedt: een tijdelijke beperking in de telefonische beschikbaarheid van de taaladviseur leidt tot een eenmalige verhoging in het aantal schriftelijke vragen. Kennelijk is het schrijven van een brief een noodgedwongen alternatief voor een telefonische taalvraag.

Ten slotte kan uit tabel 4 worden afgeleid welke vragen voornamelijk via welk medium worden gesteld (de vergelijking van de verticale reeksen s=schriftelijk en t=telefonisch onder elk jaartal). De gemiddelde verdeling over de vijf onderzochte jaren is 82% van de vragen telefonisch en 18% schriftelijk. Voor de meeste categorieën is er geen systematische afwijking van deze procentuele verdeling te geven, vooral doordat er in de loop van de jaren grote wisselingen in de verhoudingen optreden. Categorie 8 wijkt het duidelijkst af: van de 44 informatieve vragen worden er gemiddeld 22 ( = 50%) schriftelijk gesteld. Vragen in de categorieën tussenklanken (1.2), werkwoordspelling (1.5), woordgeslacht (3.2) en vertalen (3.4) worden in het algemeen het snelst van alle vragen per telefoon voorgelegd. De grootste categorie is sterk wisselend: van de vragen in cat. 3.12 (gebruik van het juiste woord) komt in de onderzochte jaren respectievelijk 67%, 53%, 92%, 82% en 92% telefonisch binnen.

3.5 Genootschap Onze Taal

3.5.1. Toelichting op de instelling

Het Genootschap Onze Taal is een Nederlandse vereniging met 22.000 leden die tienmaal per jaar het tijdschrift Onze Taal ontvangen, en als onderdeel van hun lidmaatschap taalvragen kunnen voorleggen aan de Taaiadviesdienst van het genootschap. Tot november 1985 was het verstrekken van taaiadviezen een nevenactiviteit van de hoofdredacteur, een manier van werken die al tientallen jaren bestond. Het bestuur van Onze Taal stelde in november 1986 een taaladviseur in deeltijd aan, nadat onder de leden, vooral bij bedrijven, een toenemende behoefte aan taaiadviezen was gesignaleerd. Tot dat tijdstip werden slechts sporadisch telefonische taalvragen gesteld bij Onze Taal; die vragen werden door een in deeltijd beschikbare secretaresse genoteerd, aan de hoofdredacteur voorgelegd en in zeer beknopte vorm schriftelijk of telefonisch (via de secretaresse) beantwoord. Met de oprichting van de Taaiadviesdienst werd taaladvisering

Nederlandse Taalunie